Klimaatmonitor bijgewerkt mbt solar
links
PV-systeem
basics
grafieken
graphs
huurwoningen
nieuws
index
 

SOLARENERGYERGY

Klimaatmonitor en zonnestroom 3

Evolutie PV installaties per provincie in KMt register tm. 2016

Basisgegevens © Klimaatmonitor databank*, status update (deels) april 2018

grafieken © 2018 Peter J. Segaar/www.polderpv.nl

Zie ook nagekomen voetnoot 3, met disclaimer CBS, onderaan!
* Onder verantwoordelijkheid Rijkswaterstaat / Ministerie van Infrastructuur en Milieu vallend

Zie ook eerdere artikelen van 26 november 2015, 20 februari 2014, 31 augustus 2013, en 22 augustus 2013

http://klimaatmonitor.databank.nl


Introductie

Het is lang geleden dat er een "totale" update van het jarenlang redelijk goed up to date gehouden Klimaatmonitor register van Rijkswaterstaat werd gepubliceerd, m.b.t. statistieken voor zonnestroom in Nederland. Lang was de laatst beschikbare informatie van het reeds lang vervlogen jaar 2015, wat waarschijnlijk nog niet eens "definitieve" cijfers liet zien. Dit heeft te maken met het niet meer "instromen" van het grootste deelregister, het Productie Installatie (PIR) register van de netbeheerders. Met als reden een aanscherping van de Wet bescherming Persoonsgegevens, waardoor o.a. data gebruik door derden de verantwoordelijkheid wordt van de oorspronkelijke data providers (in casu: de netbeheerders). Op de website van Rijkswaterstaat wordt n.a.v. die zeer substantiële wijziging in politieke context inmiddels gemeld: "Met ingang van 2016 is de bron van de gegevens CBS. I.v.m. het niet meer beschikbaar komen van het PIR voor Rijkswaterstaat voert CBS vanaf 2016 de regionale zonnestroomstatistiek uit".

Op het vlak van zonnestroom, is het "totaal dossier" bij Klimaatmonitor, wat ik al jaren KMt noem, een integratie van 9 deel dossiers (waarvan het PIR het allergrootste is, SDE het hardst groeiende exemplaar, en er 5 reeds lang geleden afgeronde deel dossiers zijn). Wat zo goed mogelijk ontdubbeld wordt tot (momenteel) buurtniveau. Voor de achtergrond hoe die "ontdubbeling" tot stand komt, gelieve het informatievenster "Informatie over Gegevens uit diverse bronnen" er op na te slaan, op de Klimaatmonitor site.

Op het vlak van provincies kon ik een laatste grote analyse doen eind november 2015, zie het betreffende artikel. De enige recentere update van / bij Klimaatmonitor is van maart 2017, toen een nieuwe versie met ververste SDE data beschikbaar kwam. In deze twee artikelen werd o.a. de enorme groei van de aantallen en capaciteit van zonnestroom genererende installaties in de Groningse gemeentes die gebruik konden maken van de lokale "Waardevermeerdering regeling" (WV) gedocumenteerd. En de progressie van het hard groeiende SDE dossier gevisualiseerd en gedetailleerd uit de doeken gedaan.

De huidige analyse gaat weer over de verhoudingen op "macro" niveau, op dat van de provincies, waarbij alle in KMt uitgesleutelde installaties en bijbehorende capaciteit worden getoond [1]. Zoals gebruikelijk zijn ook op dit hogere niveau, afhankelijk van het ingezette criterium, zowel winnaars als "verliezers" bij de (geregistreerde) implementatie van zonnestroom installaties terug te vinden. Ook al blijft ook op dat niveau de waarschuwing overeind: Klimaatmonitor registreert niet álle capaciteit die er staat in ons land. Daar over meldt de databank: "In de afgelopen jaren heeft deze methode ertoe geleid dat door de combinatie van registraties ruim 90% van het door CBS gepubliceerde nationale opgestelde vermogen tot op buurt gelokaliseerd kan worden. In elk van de afzonderlijke registraties is maximaal ca. 80% van het nationaal opgesteld vermogen geregistreerd". Uiteraard zullen de "tekortkomingen" waarschijnlijk ook min of meer evenredig over de verschillende provincies zijn verdeeld. De opgegeven data zijn dus minimum afschattingen voor de aanwezige volumes. In werkelijkheid staat er reeds meer. Hoevéél meer blijft een kwestie van gissen.

Lijstje met in deze analyse vastgestelde "Provinciale PV kampioenen" (NB: moment opname, voor details zie tekst)

En verder:

Tot slot:

In de meeste lijngrafieken is de "best presterende" provincie bovenaan gezet, en de volgorde verder aflopend naar onderen. In de kolom grafieken is die volgorde juist andersom: de best presterende provincie staat daarin onderaan de "stapel". Symbolisch voor de "dragende functie" van zo'n optimale presteerder.


(1) Adressen met PV modules per provincie

In deze eerste grafiek het aantal adressen waar, na ontdubbeling, PV capaciteit is aangetroffen, per provincie. Als we de provincies naast elkaar gaan zetten, staan op het erepodium bij de vergelijking van het door Klimaatmonitor geregistreerde "aantal adressen / locaties met zonnepanelen" de volgende vier provincies bovenaan, waarna een fors gat valt.

Onveranderd (t.o.v. vorige analyse voor status 26 november 2015) blijft het dicht bevolkte Zuid-Holland, met enorm veel residentiële adressen bovenaan staan, al is het inmiddels nog maar met nipte voorsprong op nr. 2. Zuid-Holland heeft in de huidige update 55.714 PV-adressen, en wordt op de voet gevolgd door Gelderland (55.046). Dit tweetal wordt op kleine afstand gevolgd door Noord-Brabant (52.092) en Noord-Holland (51.166), waarbij eerstgenoemde nr. 4 in 2016 net heeft ingehaald. Na een fors "gat" volgen Overijssel (39.957), en, vrijwel gelijk opgaand, Limburg (37.542). Daarna volgen op regelmatige afstanden 5 andere provincies. En sluit Flevoland op forse afstand de rij, met slechts 11.430 adressen met PV modules.

Flevoland is na Zeeland de provincie met het minst aantal inwoners (CBS Statline eind 2016: 407.818 inwoners). Het verschil met Flevoland zou kunnen liggen in het feit dat Zeeland succesvolle inkoop acties voor particulieren heeft gehad, in het begin georganiseerd door Zeeuwind en, vanaf 2012, vooral de diverse ZonEffect acties (ook in 2018 weer met een inkoop actie gestart). De eerste 6 acties zouden volgens ZonEffect bijna 3.000 daken met zonnepanelen hebben opgeleverd, een substantieel aandeel (ruim 16%) op het totaal aantal in het KMt geregistreerde projecten. Bovendien zal de hoge instraling in Zeeland sowieso een "bevorderende" factor zijn voor de zonnepanelen kooplust in die provincie.

Provincie Groningen rapste stijger
Uiteraard vinden we als meest spraakmakende "stijger" wederom de reeds veelvuldig door mij besproken provincie Groningen (rood in legenda) terug, met een forse groeilijn in 2014-2016. Voorlopig op 24.825 adressen met PV panelen eindigend, en daarbij met de laatste cijfers al aardig oprukkend richting de dicht bevolkte Randstad provincie Utrecht (28.001). Drenthe en Friesland had Groningen begin resp. eind 2015 al achter zich gelaten. Dit komt natuurlijk, omdat heel erg veel mensen in de "Waardevermeerdering" (WV) subsidie gemeentes in provincie Groningen heftig hebben uitgepakt. Daarmee de snelste groei opleverend in de periode van eind 2014 tot en met 2016 in KMt: maar liefst 178% (groei eindejaars-volume [EOY] 2016 t.o.v. EOY 2014). Ter illustratie, de 2e en 3e hardste relatieve groeiers waren Provincie Overijssel en Zeeland (121 resp. 117% groei in die 2 jaar). De overige provincies zaten in die periode met groei cijfers van 100% (Limburg) tot ver daar onder.

Mijn provincie Zuid-Holland deed het op dit vlak - terwijl het in absolute zin (nog) "kampioen" is bij het aantal geaccumuleerde adressen met PV-modules - het slechtst: slechts 30% toename tussen 2014 en 2016. De laatste twee jaar liet de al met flinke aantallen PV adressen gezegende kustprovincie de laagste groeipercentages zien: 23% in 2015, en slechts 6% in 2016. Die "matige" groei cijfers zien we terug in de grafiek door een flinke neerwaartse knik in de curves. Minder opvallende terugval in de groei was te zien bij Noord-Holland, Overijssel, en in geringe mate bij Flevoland. Drenthe en Zeeland groeiden juist sterk in 2016 ("opwaartse knik" in de curves). Het verschil tussen de best (ZH) en slechtst presterende provincie (Flevoland) is een factor 4,9.

De gemiddelde groei per provincie wordt getoond in de zwarte gebroken lijn, die met de laatst bekende cijfers uitkomt op 34.536 PV-adressen / locaties gemiddeld per provincie. Met een groei van 70% tussen eind 2014 en eind 2016. Het gemiddelde jaarlijkse groeipercentage viel terug van 76% (t.o.v. EOY 2011) in 2012, via 77% in 2013, 42% in 2014, en 36% in 2015, naar nog steeds een respectabele 25% in 2016.

Vanaf 2008 tm. 2016 is de hoogste relatieve jaargroei bij de provincies in Drenthe geweest. Berekend met de CAGR methode gemiddeld 77% per jaar. Waarbij Zuid-Holland het wederom het slechtste deed (gemiddeld 18%/jaar), en landelijk per jaar de aantallen adressen met PV modules met gemiddeld 36%/jaar toenamen in die periode.

Cumulatie aantallen panelen tm. update april 2018
In onderstaande grafiek de accumulatie curve met de "gestapelde" provincies, en de totalen voor Nederland volgens de laatste KMt update. De provincies zijn zodanig gesorteerd, dat de in 2016 meest impact makende onderaan staat, en de minste aantallen toevoegende provincie bovenaan. Het totale aantal voor Nederland is bovenaan aangegeven in vetgedrukte cijfers (optelling provincie cijfers [2)]).

Tussen de jaren in de procentuele groei van de jaarlijkse toename t.o.v. de EOY accumulatie van het voorgaande jaar. Daaruit blijkt dat de periode 2011-2013 de hoogste relatieve groei heeft gekend (2011-2012 76%, 2012-2013 77%). Wat logisch is, omdat (a) de Europese markt toen massaal werd vol gedumpt met goedkope (zwaar gesubsidieerde) Chinese PV modules. En "zo goedkoop mogelijk" toen zo'n beetje het enige verkoop criterium was. En (b) omdat Nederland toen een ongekende "boom" van de residentiële markt heeft gekend a.g.v. de cadeautjes-regeling volgend uit het Lenteakkoord (analyses alhier). Daarna vlakte die jaargroei natuurlijk af, met echter nog steeds, ondanks het al behoorlijk geaccumuleerde volume, eind 2013 (ruim 172.000 woningen met PV modules), spectaculaire cijfers. van 41% (2013-2014), 36% (2014-2015), tot nog steeds een forse groei van 25% in 2015-2016.

Als we naar de grafiek uit de voorgaande analyse op provinciaal niveau kijken (status 21 sep. 2015), zien we dat er flinke wijzigingen zijn geweest, ook in eerdere jaren. Er werden aardige volumes toegevoegd aan de jaren 2008-2011 (26 - 34 - 11 -13%), terwijl de jaren 2012-2014 (bescheiden) volumes kwijtraakten in de KMt database (5 -5 -1% negatieve groei). Omdat 2015 in de voorgaande update nog niet geheel bekend was, is het verschil voor dat jaar weer fors positief, 11% in de "plus", maar uiteraard niet representatief. De grootste absolute toevoeging voor een wel representatief (kalender)jaar was voor 2009, 10.530 installaties.

Het voorlopige eind totaal in de april (2018) update van KMt betreft 414.426 adressen (optelling provincie aantallen in grafiek). Als we de separate deeltabel met de totalen voor heel Nederland bekijken, komt dat echter neer op 414.446 adressen voor 2016 (verschil waarschijnlijk veroorzaakt doordat nog enkele installaties niet aan een correcte gemeente konden worden toegewezen). Waarmee de groei t.o.v. 2015 neerkwam op zo'n 82.000 installaties. De ruim 330.000 adressen eind 2015 komt beslist niet overeen met eerdere afschattingen van "ruim 400.000 huizen met zonnepanelen" die enige tijd door Milieu Centraal werd gehanteerd voor dat jaar (zie analyse Polder PV). Zelfs als we zouden aannemen dat er nog 10% van dat aantal zou missen in het inmiddels wederom ververste KMt verzamel register voor dat jaar (dan kom je namelijk op slechts zo'n 366.000 adressen voor 2015). In 2017 zal het jaargroei volume voor heel Nederland beslist in de richting van de 100.000 systemen hebben kunnen gaan, gezien de opvallende trend in de (actuele) detail cijfers van netbeheerder Stedin (zie analyse). Waarmee het eindejaars-volume eind 2017 al meer dan een half miljoen adressen met zonnepanelen zou kunnen zijn geworden. Een derdegraads- polynoom extrapolatie van de historische trend gaat daar nog eens een viertal procent overheen.

Verschillen tussen laatste 2 KMt versies - aantallen
In de volgende, nieuwe grafiek laat ik de verschillen zien in de aantallen geregistreerde projecten tussen de laatste (april 2018, zie ook kolommen grafiek hierboven) en voorlaatste (september 2015) versies van het KMt register.

Ook al lijken de "oude" (oranje curve, september 2015), en "nieuwe" (blauwe curve, april 2018) dicht op elkaar te liggen, er zijn toch ook verschillen zichtbaar. Met name de oudere jaargangen lijken in de nieuwe versie behoorlijk opwaarts te zijn opgetrokken, met name voor het jaar 2009 (historische bijstellingen van data). Maar in de periode 2012-2014 zijn de nieuwe cijfers duidelijk iets neerwaarts bijgesteld. In 2014 liggen de cijfers weer vrijwel bij elkaar. In 2015 is het cijfer voor september van dat jaar natuurlijk nog lang niet volledig geweest, en heb ik dat datapunt dan ook met open rondje weergegeven, en het lijnsegment gestippeld. Het verschil tussen die oudere opgave (bijna 300.000 adressen) en het meest recente cijfer (ruim 332.000) is ongeveer 11% geweest.

Relatieve gemiddelde jaargroei cijfers (CAGR)
Ik heb van de - meest recente - KMt cijfers voor de aantallen adressen met PV modules ook de relatieve jaargroei over een langere periode bepaald volgens de "compound annual growth rate", of CAGR methodiek, voor de periode 2008 tm. 2016. Voor heel Nederland bedroeg die groei 36% gemiddeld per jaar in die periode. Kampioenen op dit punt zijn achtereenvolgens Drenthe (77%), Groningen (71%), en Overijssel (68%). De redenen voor die top posities zijn waarschijnlijk terug te voeren op de populaire laag-rentende "zonnelening" regeling in Drenthe, die ook weer in 2018 kan worden aangesproken. Provincie Groningen heeft vanwege de Waardevermeerdering regeling op het vlak van aantallen adressen met PV panelen "structureel" een enorme sprong voorwaarts gemaakt, de laatste twee jaar. Overijssel heeft historisch bezien altijd al een hoge activiteit gekend. In eerdere jaren door een forse serie, mede door de provincie ondersteunde zonnepanelen inkoopacties, in recenter jaren vervangen door een stimulans vanuit de provincie m.b.v. een goedkope Energiebespaarlening.

Uiteraard blijven de dichtbevolkte, al langer "veel" adressen met PV panelen hebbende provincies Zuid- en Noord-Holland ver achter. Zuid-Holland bleef steken op een CAGR van 18%/jaar, Noord-Holland op 28%/jaar in die periode (wat trouwens nog steeds respectabele cijfers zijn!). Verder waren Flevoland en Gelderland met 33 resp. 35%/jaar "matige" groeiers in die periode. Flevoland groeit wel heel sterk met vermogens op boerderij daken (zie later). Maar bij het aantal adressen schiet dat natuurlijk niet zo op. Gelderland "lijdt" aan hetzelfde probleem als de Hollandse kustprovincies: al veel adressen met PV modules (eerste grafiek), en om dat langdurig, jaren achter elkaar procentueel te laten toenemen, is gewoon lastig om te realiseren. Noord-Brabant lijkt af te wijken van deze regel, want die had een hoge CAGR van 55%/jaar in 2008-2016. Er is heel veel activiteit in die provincie. Niet alleen in de grote steden (Tilburg, Breda, Den Bosch) en de talloze dorpen. Maar ook zeer veel op het uitgestrekte platteland, waar vele honderden boerderijen zonnepanelen zijn gaan aanleggen.


(2) Geaccumuleerd PV vermogen per provincie
In de volgende grafiek i.p.v. de aantallen adressen met PV modules nu het geaccumuleerde vermogen per provincie.

Op zich zijn de "kampioenen" bij de aantallen adressen ook in dit overzicht vertegenwoordigd in de hogere regionen bij het geaccumuleerde vermogen. De volgorde is echter nogal door elkaar gehusseld. Ook al heel lang bekend is dat Noord Brabant, met haar grote steden in combinatie met een enorm achterland bomvol boerderijen, alle andere provincies ver achter zich laat op dit vlak. Momenteel staat er al 290 MWp aan PV capaciteit geregistreerd voor Noord Brabant. En daar gaat nog heel veel bij komen, mede gezien de omvangrijke hoeveelheid SDE beschikkingen die deels op de grote agrarische complexen zoals in Noord-Brabant worden uitgerold. Toch is de kop-positie van deze provincie weer ietsje "zwakker" geworden. Was het aandeel van Noord Brabant medio 2014 nog 16,1% op het lands-totaal, was dat gedaald naar 15,7% van de in totaal bij KMt geregistreerde 1.168 MWp in de status update van 21 september 2015. In de fors bijgestelde versie voor april 2018 is het nog lager geworden: 14,6% van totaal geregistreerd 1.982 MWp (ergo: 290 MWp, in grafiek weergegeven). Mijn verklaring daarvoor is, dat andere provincies (ook) flink zijn gaan uitpakken op het gebied van grote PV projecten, wat altijd een flinke "boost" geeft aan het totale vermogen per gebied. Noord Brabant ligt in dat opzicht al langer voor vanwege het historisch bezien hoge agrarische potentieel. Daar komt nog bij dat er enorm veel gigantische stallen zijn gebouwd de afgelopen jaren, waar in theorie zeer veel PV capaciteit op past. Noord Brabant groeit nog steeds sterk, maar andere - met name agrarisch georiënteerde - provincies zijn op dat terrein een beetje aan het inhalen. Of, zo u wilt, een klein stukje aandeel "aan het terugpakken". Het duidelijkst zien we dat terug in de verhouding van het geaccumuleerde PV vermogen tussen "kampioen" Noord-Brabant en "verliezer" Zeeland. Die was medio 2014 nog een factor 5,2, maar is inmiddels al behoorlijk terug gezakt naar een factor 4,1.

Op de 2e plaats staat weliswaar nog steeds, net als in de voorlaatste update, Gelderland, maar de relatieve afstand tot kampioen Noord-Brabant is flink gekrompen. Gelderland heeft eind 2016 een mooie 252 MWp (12,7% van lands-totaal). Vanwege het opvallend sterke "wegzakken" van de voormalige numero 3, Overijssel (nu op de 5e plaats), zijn er 2 nieuwe kandidaten die om de derde positie strijden. Voor 2016 is dat met de huidige data net aan Provincie Noord-Holland geworden, die haar voorgaande 5e plaats met Overijssel verruilde, met 212 MWp (10,7% van totaal 12 provincies, vlak voor Zuid-Holland, 211 MWp). Daarmee is een trend doorbroken, en zal Overijssel weer extra haar best moeten doen om de (tijdelijke ?) achterstand op de 2 grote kust provincies weer in te halen.

Aan het andere kant van het spectrum sluiten Utrecht, Flevoland en Zeeland (105, 88 resp. 71 MWp) de gelederen (Zeeland met slechts 3,6% van het lands-aandeel). Opvallend is ook hier weer de progressie van Provincie Groningen. Die dankzij de Waardevermeerdering subsidie regelingen in enkele "gas" gemeentes een flink sprong voorwaarts maakte. Daarbij heeft deze noordelijkste provincie in 2 jaar tijd maar liefst 3 provincies ingehaald met de geaccumuleerde capaciteit, eind 2016.

Naast Groningen zijn er in 2016 nog twee andere provincies met een lichte versnelling zichtbaar ("opwaartse knik" in de curves): Noord-Holland en Gelderland. Overijssel, lang een zeer voortvarende provincie op het gebied van uitrol van PV capaciteit, liet als enige een opvallend lagere groei zien in dat jaar (curve met "neerwaartse knik"). Een logische verklaring daarvoor heb ik niet. Of het moet zijn dat in 2016 relatief weinig grote PV projecten zijn opgeleverd. Het korte tijd grootste rooftop project van Nederland, Wehkamp in Zwolle (2,5 MWp), is in de zomer van 2015 aan het net gekoppeld.

Gemiddeld genomen staat er met de laatst bekende cijfers al 165 MWp aan PV capaciteit per provincie. Dat was medio 2014 nog maar ruim 70 MWp, dus een ruime verdubbeling in 2 jaar tijd. De groei zit er flink in, en dat "moet" natuurlijk ook.

Cumulatie PV vermogen tm. update april 2016
Net als bij de aantallen adressen met PV modules volgt nu een stapel grafiek voor de geaccumuleerde vermogens per provincie, met bovenaan de (voorlopige) lands-totalen, en tussen de kolommen in de jaargroei percentages t.o.v. de accumulatie aan het eind van het voorgaande jaar.

De groei percentages bij de vermogens zijn van een heel ander karakter resp. kaliber dan die voor de aantallen adressen met zonnepanelen. Dat heeft te maken met de vaak zeer snelle groei als incentives voor grote(re) daken goed genoeg zijn. Is die "prikkel" eenmaal op gang gekomen (lees: met name de SDE+ regelingen, echter niet exclusief), dan kan het zeer rap gaan met de capaciteits-uitbouw, en zijn blijvend relatief hoge jaargroei percentages haalbaar op dit vlak. Zelfs in het begin van de bekeken periode, waren zeer hoge percentages te zien, omdat de markt toen nog erg klein was (86% groei in 2009 t.o.v. EOY 2008). De hoge groei in de periode 2011-2012 (125%) werd vooral veroorzaakt door de enorme hoeveelheid residentiële installaties die onder de toen gestarte nationale subsidieregeling voor particulieren on-line gingen. In 2013 ging die trend gewoon door (subsidie was begin augustus van dat jaar volledig vergeven). Al was het kennelijk niet mogelijk om de zeer hoge groei van het voorafgaande jaar te evenaren, en was de "vervangende" btw teruggaaf regeling (Arrest Fuchs) niet prikkelend genoeg om die enorme toename te dupliceren. Het werd desondanks nog een heftige 117% toename t.o.v. de eindejaars-capaciteit van 2012, wat beslist een zeer goede score is.

2013-2014 liet een niet voorspelde, teleurstellende groei zien van "maar" 58% t.o.v. EOY 2013, volgens de bijgewerkte Klimaatmonitor cijfers. Ondanks de verder gaande daling van de percentages in latere jaren, blijven deze desondanks onveranderd hoog, zeker omdat ze afgemeten worden aan steeds hogere eindejaars-capaciteiten van het voorgaande jaar: 38% in 2015, resp. 33% in 2016.

In de laatste kolom voor 2016 is goed te zien dat slechts 4 (grote) provincies iets minder dan de helft (49%) van het totale PV vermogen in ons land voor hun rekening namen in het KMt register van Rijkswaterstaat: Noord-Brabant, Gelderland, Noord- en Zuid-Holland (in volgorde van afnemend belang).

Verschillen tussen laatste KMt versies en CBS data
In de volgende, nieuwe grafiek, laat ik de verschillen zien die optreden als we de resultaten van het KMt register van de huidige en de vorige versie naast die van de officiële CBS cijfers leggen.

De huidige versie voor de capaciteit in het KMt register (april 2018) is weergegeven in een blauwe curve. Die voor de versie van september 2015 in een oranje curve (stippellijn voor 2015: jaar was nog niet afgelopen tijdens publicatie). In een groene curve zien we de officiële data van het CBS terug (voor laatste versie inclusief eerste afschatting voor 2017, zie artikel van 2 maart 2018).

NB: de optelling van de provinciale data komt in de huidige versie van KMt tot ruim 1.982 MWp voor eind 2016. Als we echter de data voor heel Nederland extraheren uit de primaire tabellen, komt KMt al op ruim 1.984 MWp, dus 2 MWp meer. Dit heeft te maken met het nog niet correct kunnen toewijzen van projecten aan specifieke gemeentes, en mogelijk andere oorzaken. Op het totaal bezien, is het verschil vrij klein (0,1%). In de voorgaande grafiek hierboven heb ik voor de "landstotalen" de optelling van de provinciale accumulaties gebruikt. Genoemde 1.984 MWp is 65 MWp, ongeveer 3% minder, dan het door CBS als "definitief" opgegeven totale lands-volume. Wat pas eind 2017 bekend werd gemaakt: 2.049 MWp.

In de eerste jaren ligt de CBS curve duidelijk wat hoger, wat heeft te maken met het feit dat de registraties voor het PIR pas in 2011 begonnen (Kamerbrief 16 april 2015), en de data ervoor sowieso onvolledig zijn. Na twee jaar ongeveer gelijk optrekken, zijn de cijfers voor 2012 in de april 2018 versie duidelijk veel lager dan die voor het CBS, de cijfers werden t.o.v. de veel eerder gepubliceerde september 2015 versie behoorlijk neerwaarts bijgesteld. Maar sedert 2013 liggen de meest recente KMt data weer ongeveer op het niveau van de voorgaande update, en liggen deze er in 2014 weer ver boven, zelfs nog iets boven het CBS cijfer. In 2015 duikt het KMt totaalcijfer weer iets onder dat van het CBS, om in 2016 nog iets verder neerwaarts toe te geven (de hierboven genoemde 3% verschil). Dit kan mogelijk deels te maken hebben met nog niet volledige of actuele dossiers voor dat jaar. De stippellijn voor de september 2015 update voor KMt geeft de toen nog fors onvolledige cijfers voor 2015 weer. Gezien de april 2018 update, is dat toen nog zeer premature cijfer later dus aanzienlijk (met ongeveer 320 MWp !) opgetrokken.

Al met al kan worden gesteld, bij een vergelijking van de recente blauwe en groene curves, dat het totaal dossier voor KMt inmiddels "goed in lijn" ligt met de data van het CBS. Alleen zou een mogelijk kleine opwaartse correctie voor 2016 verwacht kunnen worden.

Groeipercentages YOY PV vermogen per provincie

In bovenstaande grafiek worden de groeipercentages van jaar tot jaar (YOY) getoond sinds 2008-2009, en in de laatste kolom de gemiddelde groei per jaar (CAGR) in de periode 2008-2016. Belangrijk: de Y-as is logarithmisch weergegeven. Wordt niet ongerust vanwege de gemiddeld dalende lijn, dat is normaal in een sterk groeiende "beginners" markt. Relevant zijn de percentages die na enkele groei-jaren "over" blijven, en die zijn nog steeds hoog. In 2015-2016 lag het gemiddelde (zwarte lijn) op 33%. De spreiding tussen de provincies was 13% voor het zwaar tegenvallende Overijssel, tot maar liefst 52% bij Groningen.

Opvallend is de heftige schommel beweging in de eerdere jaren. Ook dat is "normaal". Als de eerste effecten van diverse soorten incentives in een nog maagdelijke markt zichtbaar worden, leidt dat altijd tot een grillige start: de voorlopers die een paar grote (meestal SDE gesubsidieerde) projecten weten te realiseren groeien dan ook procentueel bezien extreem snel (t.o.v. de oude situatie). Maar net zo goed "stort" dat groeipercentage dan weer fors in als het volgende jaar te weinig geschiedt op dat vlak, en er nog steeds relatief weinig PV vermogen is geaccumuleerd. Pas na jaren van groei, zullen die effecten steeds minder extreem worden. Omdat "YOY" (year-on-year) groei in deze grafiek afgemeten wordt aan de accumulatie aan opgesteld vermogen aan het eind van het voorgaande jaar ("EOY", end-of-year). Daarin "verzuipen" de extreme schommelingen, ze worden sterk gedempt door de reeds aanwezige "massa".

Let in de grafiek ook op zonrijk Zeeland, wat vanaf 2012 een aardig hoog, bovengemiddeld groei percentage gaf te zien, tot in 2013-2014. Daarna zakte de curve weer terug, (2014-2015), maar trok het vervolgens weer aan, en belandde deze zonrijke provincie op de vierde positie in 2015-2016. Vijf provincies toonden in dat laatste tijdvak een opvallende stijging van de groei percentages t.o.v. de voorgaande periode: Friesland, Utrecht, Zuid-Holland, Gelderland en Noord-Holland. De twee opvallendste afwijkingen vinden we bij Overijssel (sterk omlaag gevallen groeicijfer), en bij Groningen. Dat deed het nog steeds het best, maar het effect van de waardevermeerdering subsidieregeling blijkt in 2015-2016 minder sterk dan in 2014-2015, wat resulteerde in een duidelijke "knik omlaag" voor deze provincie.

Relatieve gemiddelde jaargroei cijfers (CAGR)
Over de gehele "groei" periode 2008-2016 bekeken, liggen de resultaten natuurlijk dichter bij elkaar en worden "extremen" uitgemiddeld, dat toont het puntenwolkje helemaal rechts in de grafiek. Daar zien we ook aan dat Nederland nog steeds in een zeer sterke groeifase zit met hoge gemiddelde jaargroei percentages van het vermogen, omdat we, ondanks een sterk aantrekkende groei, nog een relatief bescheiden markt hadden tm. 2016. De gemiddelde (!) jaargroei van het (geregistreerde) vermogen was 67% (zwarte stip), met extremen naar beneden van 47% (Zuid-Holland), tot zelfs gemiddeld (!) 98%/jaar in provincie Overijssel. Op de voet gevolgd door Groningen en Drenthe, met beiden 97%.

Genoemde 67%/jaar groei bij het vermogen komt neer op bijna twee maal de 36%/jaar (CAGR) die we bij de aantallen adressen met zonnepanelen hebben gezien (laatste alinea eerste paragraaf). Het is nu eenmaal, in een op stoom komende PV markt veel "makkelijker" om (zeer) grote volumes panelen af te zetten op een relatief "beperkt" aantal grote daken, als de incentives er voor zijn, dan om vele duizenden adressen extra te realiseren met (meestal kleine) PV-generatoren. Waar je immers sowieso de betreffende bewoners voor moet zien te enthousiasmeren. Daar gaat enorm veel arbeid en energie in zitten om zoveel verschillende (typen) mensen te kunnen bereiken - en ook tot actie te bewegen. Zeker in sterk agrarisch georiënteerde provincies, met sterk verspreide bewoning, en een relatief "leeg" achterland, is dat nauwelijks realiseerbaar in zo'n hoog tempo.


(3) Gemiddeld vermogen per adres / locatie per provincie

In bovenstaande grafiek is de door Klimaatmonitor zelf opgegeven (berekende) gemiddelde geaccumuleerde PV capaciteit per adres of per locatie weergegeven in de loop van de tijd. Ook hier zien we zeker in de beginjaren van de "echte" groei in Nederland (vanaf 2008) behoorlijke schommelingen, wat heeft te maken met de zeer "selectieve" plaatsing van nog relatief weinig grote PV projecten in een nog vrij "dunne" markt. Die schommelingen zullen minder heftig gaan worden omdat we al naar "behoorlijke" PV volumes per provincie gaan, en eventueel toegevoegde (zelfs zeer) grote projecten steeds meer gemaskeerd zullen gaan worden door de al aanwezige "massa". Desondanks vinden we rechts in de grafiek toch nog enkele verrassingen op dit punt.

Gemiddeld genomen neemt het vermogen per adres natuurlijk toe in ons land (zwarte streepjes-lijn). Ten eerste omdat bij particulieren de gemiddelde installatie grootte is toegenomen. In het begin van de 21e eeuw waren "hollandse setjes" van 4 tot 6 (kleine) PV modules doodnormaal, en die hebben het landelijke gemiddelde in het begin van deze eeuw zeer laag gehouden (grofweg een halve kWp per adres). Dergelijke "setjes" worden beslist nog steeds geplaatst, bijvoorbeeld bij diverse huur corporaties op de schuine daken van huurwoningen. Maar, het 2e belangrijke aspect, het vermogen per paneel, is natuurlijk zeer fors toegenomen (van zo'n 100 Wp begin deze eeuw naar zo'n 260 Wp in 2016 (inmiddels, in 2018, alweer 280 Wp of al hoger). De grote driver van de ontwikkeling van het geplaatste vermogen in de residentiële markt is het segment particuliere eengezins-woningen, waar al vaak zo'n 12 panelen worden geplaatst, als de ruimte er is. Omdat residentieel nog steeds het allergrootste marktsegment is, en dat bij de geaccumuleerde volumes ook nog even zo blijft, heeft dat een grote invloed op de gemiddelde provinciale en nationale gemiddelde capaciteit per adres.

Een derde factor is natuurlijk dat er sedert de zomer van 2015 een zeer sterke groei is van de grotere PV projecten, die dat gemiddelde nog verder op jagen (zie accumulatie grafiek in de CertiQ rapportage van februari 2018). Met nog lang geen eind in zicht op verdere verhoging. Maar ook met de waarschuwing: beslist niet alle nieuwe grote PV projecten die in KMt terecht komen hebben SDE subsidie! Een register voor de veel gebruikte EIA regeling ontbreekt bijvoorbeeld, en daar kunnen forse volumes bij zitten die vooralsnog slecht bekend zijn. Veel boeren hebben van EIA gebruik gemaakt, zonder dat ze beroep hebben gedaan op een SDE subsidie (dat kon beslist tm. SDE 2013, maar die combinatie is in SDE 2014 afgeschaft om overstimulering te voorkomen).

Rechts in de grafiek is er, na een korte periode van relatieve stabilisatie, toch weer de nodige beweging gekomen in de wijzigingen van de de gemiddelde vermogens per adres in de meeste provincies. Flevoland, al in de update van september 2015 "the lead" nemend, heeft haar "kampioens-positie" opvallend voortvarend verder uitgebouwd, met in 2016 al gemiddeld 7,7 kWp per adres (vorige update: 5,2 kWp/adres). Dit is m.i. uitsluitend te wijten aan de enorme vlucht die grote boerderij daken daar hebben genomen, vol met zonnepanelen, waarvan er nog steeds nieuwe werden (en worden) bijgebouwd, met een extra versnelling in 2016. Twee andere "agrarische grootmachten", Drenthe en Overijssel, nog de nummers 2 en 3 in de vorige update, zijn eind 2016 alweer vervangen door Friesland (5,8 kWp/adres) resp., nipt voor Groningen, Noord-Brabant (5,6 kWp/adres).

Bij het "slechtst presterende" trio is ook een nieuwe naam opgedoken. Van onder naar boven inmiddels Utrecht (3,7 kWp/adres), Zuid-Holland (3,8 kWp/adres), resp. "nieuwkomer" in de onderste regionen, nog "middenmoter" in de sep. 2015 update, Zeeland (3,9 kWp/adres). Provincie Groningen liet een tijdelijke "dip" zien in 2015, maar is in 2016 weer flink gestegen (naar 5,5 kWp/adres). Omdat het hier om (gemiddeld opgestelde) capaciteit per adres gaat, is het zeer waarschijnlijk dat het eind 2016 aan het net gekoppelde, en ook daadwerkelijk in de Klimaatmonitor statistieken voor Delfzijl terug te vinden Sunport zonnepark van 30,8 MWp (nog steeds het grootste van Nederland), daar een stevige rol in heeft gespeeld. Dat in 2015 de gemiddelde capaciteit voor deze provincie flink omlaag "viel", heeft alles te maken met het feit dat toen heel veel residentiële systemen met de WV subsidie werden gerealiseerd. Deze hebben het totale gemiddelde tijdelijk fors omlaag gedrukt, totdat die "surprise Sunport" in 2016 de curve weer met kracht de andere kant op dwong. Zelfs in een jaar dat er nog veel meer Groningse woningen middels de WV subsidie met een set zonnepanelen werden uitgerust.

Bij 6 provincies vinden we relatief grote toenames in 2016, waarbij de stijging bij "langdurig matige performers" Zuid- en Noord-Holland het opvallendst is. 4 provincies lieten (opvallende) dalende lijnen zien in 2016. Waarbij de daling voor Drenthe het meest in het oog valt. Voor dat jaar heb ik dan (op een kleintje na) ook nog geen zeer grote zonneparken in mijn projectenlijst staan, die zo'n daling zouden kunnen compenseren. Dat gaat bij komende cijfers voor 2017 waarschijnlijk een heel ander beeld geven, gezien het eind dat jaar opgeleverde Lange Runde zonnepark in Barger-Compascuum van Statkraft (ruim 14 MWp).

Het gemiddelde van alle op- en neerwaartse provinciale trends wordt weergegeven in de zwarte curve. Deze blijkt al die jaren nog steeds een opgaande lijn te vertonen, en bereikte een cumulatie van gemiddeld 4,8 kWp per adres met PV panelen, in 2016. Dit wordt veroorzaakt door een combinatie van gemiddeld steeds meer PV vermogen per residentieel dak (de grootste deelpopulatie bij de totale landelijke capaciteit), en, met name in de laatste jaren, de steeds grotere, meestal SDE gesubsidieerde projecten. In 2016 werd de significante groei van de capaciteit van nieuwe zonneparken goed zichtbaar (voor overzichtje trend, zie grafiek in mijn laatste projecten overzicht), in 2017 is deze al bijna verdubbeld. Dus de verwachting is, dat die zwarte gemiddelde curve verder zal gaan toenemen.


(4) Gemiddeld PV-vermogen per inwoner per provincie

Een belangrijke, vaker gehanteerde "maat" om prestaties aan af te meten op het gebied van implementatie van zonnestroom, is de totale PV capaciteit terug rekenen naar het aantal inwoners in het betreffende gebied. Het is een van de pijlers van de al vele jaren gedocumenteerde PV-prestaties in buurland Duitsland, door de Solar Bundesliga. Waar zelfs aparte ratings worden gemaakt voor verschillende "typen" gemeentes, grote en kleine steden, etc. Alleen zijn ze daar natuurlijk al veel verder, de ratings worden daar bepaald uit een (gewogen) combinatie van opgesteld vermogen van zowel PV installaties als van thermische zonne-energie ("zonnecollectoren"). Dat is vooralsnog een paar bruggen te ver voor het, wat harde statistieken betreft, nog "jungfrauliche" Nederland. Hier onder de grafiek voor de Nederlandse provincies, in Wp opgesteld PV vermogen per inwoner.

Er zijn duidelijke tempo verschillen te zien tussen de provincies onderling in het tijdvak 2015-2016. Direct zichtbaar is dat, na Drenthe in de versie van september 2015 als nieuwe kampioen te hebben verwelkomd, deze inmiddels alweer is overvleugeld door haar noordelijke buurman Groningen. Die is op dit punt door de sedert maart 2015 geldende (opvolgers van de) Waardevermeerdering subsidie regelingen zo hard gegroeid, dat de provincie met deze parameter eind 2016 al als beste uit de bus kwam. Met 234 Wp gemiddeld per inwoner. In andere bewoordingen, "ruim 80 procent van een modern kristallijn PV module van 280 Wp per ingezeten". Drenthe moest een veer laten en zat eind 2016 op 223 Wp/inwoner, Flevoland volgt met 217 Wp/inwoner op de laatste plaats van het erepodium.

Overijssel (177 Wp/inwoner) is flink terug gezakt van de 2e naar de 6e positie, waarschijnlijk omdat er in 2016 relatief weinig grote PV projecten zijn opgeleverd t.o.v. het inwoner aantal (ook al was toen al een belangrijke ontwikkelaar als Zonnegilde actief, die vooral in 2017 veel grote projecten heeft gerealiseerd). Het grote Gelderland (124 Wp/inwoner) haalde haar tegenstrever Noord-Brabant (116 Wp/inwoner) in 2016 in.

Uiteraard maken op dit criterium de dichtbevolkte Randstad provincies Utrecht, Noord- en Zuid-Holland geen schijn van kans. Ze bungelen, met forse achterstand op de rest, onderaan, met gemiddelde vermogens van 82, 76, resp. 58 Wp per inwoner. Er gaat bijna vijf maal zo veel vermogen in een modern kristallijn 280 Wp paneel dan die wat armetierige gemiddelde 58 Wp/inwoner in mijn provincie. En het is zelfs maar zestig procent van de oorspronkelijke capaciteit van mijn al 18 jaar oude, prehistorische Shell Solar paneeltjes ...

Landelijk gemiddelde nog mager vergeleken bij Duitsland
Het landelijke (zo u wilt: provinciale) gemiddelde, in de zwart gestreepte curve weergegeven, komt voorlopig in 2016 uit op 117 Wp per inwoner. NB: dit is het gemiddelde zoals in een separate tabel vermeld in de Klimaatmonitor database, voor de landelijke cijfers. Het gemiddelde van de opgaves per provincie wijkt hier sterk van af (154 Wp/inwoner), wat wordt veroorzaakt door kennelijk een behoorlijke hoeveelheid capaciteit wat (nog) niet aan specifieke gemeentes toegewezen kan worden, vanwege "ontbrekende of foutieve locatie gegevens" (aldus bewoordingen van de KMt database).

Bij dat gemiddelde van 117 Wp/inwoner moet natuurlijk nog veel meer volume komen om enig acceptabel niveau te bereiken vergeleken met de realiteit bij de al twintig jaar pionierende oosterburen. Eind 2016 stond daar 40.716 MWp aan PV capaciteit (statistiek Bundesnetzagentur), op een bevolking van 82,6 miljoen inwoners (medio 2016, 2016 World Population Data Sheet). Ergo: gemiddeld 493 Wp/inwoner, een factor 4,2 maal zo veel dan in Nederland in dat jaar (NB: met in de hoogtij dagen véél duurdere zonnepanelen in Duitsland, dan gekocht in de afgelopen tijd in ons land!). Regionaal zijn de scores nog fors hoger. Een grote Duitse stad als Kaiserlautern staat momenteel al op 404 Wp per ingezetene. Een "kleine stad" als Bad Grönenbach (Beieren) op 3,9 kWp/inwoner, talloze Beierse gemeentes 3 tot ver over 4 kWp "pro Kopf", met momenteel leidend Oberostendorf op 5,9 kWp/inwoner. En is voorlopig kampioen op het kleinschalige niveau daar de in Schleswig-Holstein (mind you: Nóórd Duitsland) liggende "Kleingemeinde", Glüsing (114 inwoners). Met een zeer hoge 14,7 kWp gemiddeld per kop van de bevolking... (Solar Bundesliga records). Vergelijk dat met de momenteel in de Nederlandse Klimaatmonitor gesignaleerde "eenmalige kampioenen", gemeente Ameland (vanwege Zonnepark Ballum, bijna 6 MWp), met 1,8 kWp/inwoner eind 2016, en Delfzijl (vanwege ook "eenmalig" Sunport, bijna 31 MWp), met bijna 1,6 kWp/inwoner eind 2016, en u weet: we hebben nog een lange weg te gaan...

Maar ook op het grootschalige niveau zijn de cijfers voor Duitsland ronduit indrukwekkend. Volgens de "foederal-erneuerbar" site zou kampioen deelstaat, in tegenstelling tot een mogelijk verwachting bij u, het oost-Duitse Brandenburg zijn, met een spectaculair gemiddelde van 1,3 kWp per inwoner, eind 2016. Een factor 5,6 in vergelijking met Groningen in bovenstaande grafiek. Dat heeft alles te maken met de enorme zonneparken die in die dunbevolkte deelstaat zijn gebouwd in de laatste jaren dat er nog sprake was van een decente vergoeding voor dergelijke reuzen installaties. Het vaak - terecht - geprezen, redelijk dichtbevolkte Beieren (denk aan o.a. wereldstad München) bleef in die rating eind 2016 steken op "slechts" 889 Wp/inwoner.

Bij dit alles dient wel te worden gezegd dat de groei in Nederland, vanwege de hausse aan subsidie regelingen en incentives ongekend hoog is, en dat de achterstand op Duitsland op meerdere gebieden ingehaald zal gaan worden de komende jaren. Met véél goedkopere hardware voor wie het kopen wil.


(5) Gemiddeld aantal adressen / locaties met zonnepanelen per 100 woningen per provincie

Ook deze rating, die iets zegt over de "activiteit bij burgers" omdat het aantal woningen het referentiekader is, is direct uit de database van Klimaatmonitor gehaald, en op provinciaal niveau door Polder PV grafisch naast elkaar gezet.

Ook hier is de spreiding tussen de provincies behoorlijk groot. De "nieuwe kampioens-positie" die het zonnige Zeeland in de september 2015 update met deze parameter innam, is net aan vastgehouden in de huidige update van de Klimaatmonitor database. Zeeland staat met 9,9 adressen met zonnepanelen op elke 100 woningen nog net voor het nieuw op de 2e plaats komende Drenthe (9,8). De combinatie van zeer zonnige omstandigheden (inmiddels waarschijnlijk goed tussen de oren beland bij de "zunige" Zeeuwen), de voortdurende mogelijkheden om te salderen en de btw op de aanschaf terug te vragen, én, speciaal voor Zeeland, de succesvolle acties van het ZonEffect, zullen daar zeker aan hebben bijgedragen. Drenthe heeft Groningen van de tweede plaats verdrongen, mogelijk vanwege de succesvolle zonneleningen aan de inwoners, die gezien het adressenbestand in dunbevolkt Drenthe gunstiger heeft uitgepakt bij deze ratio, dan de waardevermeerdering regeling bij de noorderburen heeft kunnen bereiken. Groningen ligt met 9 PV-adressen per 100 woningen echter nog steeds op een riante positie. Pas veel lager komen de andere provincies, beginnend met Overijssel (7,6).

Wederom sluiten de Randstad provincies de rij. Zuid-Holland onderaan (3,4 PV-adressen/100 woningen), gevolgd door Noord-Holland (3,9). Provincie Noord-Brabant blijft de op 2 na laatste plaats bezetten (4,8 PV-adressen/100 woningen), nog onder Utrecht. Gemiddeld staan er in Nederland, met deze voorlopig laatst bekende cijfers van april 2018, gemiddeld 5,4 adressen met PV modules geregistreerd op 100 woningen. Waarbij wederom genoemd dient te worden, dat het gemiddelde van de provincie cijfers een stuk hoger ligt, op 6,8. Voor de reden hiervoor, zie de opmerking onder paragraaf 4, "Gemiddeld PV-vermogen per inwoner per provincie". In de grafiek is het "nationale gemiddelde" zoals opgegeven door Klimaatmonitor weergegeven in de zwarte, gestreepte curve.

Het verschil tussen de beste en slechtste "performers" bij deze variabele is eind 2016 een factor van bijna 3. Opvallend element in deze grafiek is de scherpe "opwaartse knik" voor Groningen in 2014-2015. Het eerste jaar dat de Waardevermeerderings-subsidies een zeer heftig effect op het verloop van de curve bleken te hebben. Een effect wat in 2015-2016 verder werd gecontinueerd, en wat deze noordelijke provincie reeds op de derde plaats heeft geparachuteerd in 2 jaar tijd.

Geconcludeerd mag worden dat de "burgerparticipatie" (adressen met PV-modules t.o.v. het totale woning bezit) in met name de noordelijke provincies het hoogste lijkt, maar dat ze nog net aan worden afgetroefd door het zonnigste stukje, helemaal aan de andere kant van het land...


(6) Gemiddeld PV-vermogen per 1.000 woningen per provincie

Ook deze parameter is direct uit de Klimaatmonitor databank gehaald. Hier geldt een vergelijkbare "intentie", potentieel effect van burger (woning eigenaar of huurder) participatie. Maar hier wordt dat natuurlijk deels weer vertroebeld door de effecten van forse capaciteitsgroei van grote (vaak niet woning-gebonden en de eerste zonnepark) projecten, die over het hele woningbestand worden "uitgesmeerd". Dan krijgen we het volgende beeld. Met, in vergelijking tot de update van september 2015, weer een nieuwe "kampioen".

In de voorgaande update was Drenthe de best presterende provincie op dit gebied. In de huidige update is dat echter, al sedert 2014, met vlag en wimpel Flevoland, met 539 kWp opgesteld vermogen geteld per 1.000 woningen in die provincie. Dat is een opvallende wijziging, die mogelijk niet alleen aan de - waarschijnlijke - oorzaak "veel boerderijen met PV daken op relatief weinig woningen" toegewezen kan worden. Maar mogelijk ook iets te maken zou kunnen hebben met het nodige volume aan nog niet goed toewijsbare projecten aan gemeentes, die de statistiek kunnen vertroebelen.

Het hard door de waardevermeerdering subsidies gegroeide Groningen (nog op 5e positie in de sep. 2015 update) stak met 498 kWp/1.000 woningen net met 1 "eenheid" de loef af bij voormalig "kampioen" Drenthe. Dan volgt een fors gat, waarbij Friesland (421 kWp/1.000 woningen) haar zuid-oosterbuur provincie Overijssel (411 kWp/1.000 woningen) van haar toen nog 3e plek verdrong. Zeeland, met relatief weinig woningen, betrekt op dit front een vrij hoge (6e) positie (388 kWp/1.000 woningen). Nog voor Limburg (346), wat weliswaar grote hoeveelheden PV capaciteit toevoegde, maar ook veel woningen bezit (ratio dus minder hard evoluerend). Gelderland en Noord-Brabant, zowel veel capaciteit toevoegend, als veel woningen omvattend, blijven midden-moters in deze grafiek.

Het "klassieke Randstad trio" Utrecht, Noord- en Zuid-Holland sluit wederom de rij (191, 163 resp. 127 kWp/1.000 woningen). Het landelijk gemiddelde (zwarte gestreepte lijn) eindigt in 2016 op 260 kWp/1.000 woningen. Ook hier weer de kanttekening, dat het gemiddelde van de beschikbare provinciale cijfers veel hoger ligt (344 kWp/1.000 woningen), vanwege de reden aangegeven onder paragraaf 4. Bovengenoemde 260 kWp/1.000 woningen (te vertalen als "gemiddeld 260 Wp/woning") komt ruwweg overeen met de eerder gesignaleerde 117 Wp/inwoner in een vorige grafiek. Er zouden in 2016 gemiddeld 2,17 personen zijn per huishouden volgens CBS StatLine, dus die "match" komt ruwweg wel overeen (verschil zo'n 2%).

Het verschil tussen de beste en slechtste "performers" bij deze variabele is eind 2016 een factor 4,2.

De meest opvallende trends in deze grafiek: Groningen, wat middels de Waardevermeerderings-regeling ook hier een inhaalrace heeft ingezet, Overijssel, wat in 2016 flink is terug gevallen, en Friesland, wat na een opvallende "dip" in 2015, in het opvolgende jaar weer is bijgetrokken.


(7) Aantal PV-adressen / locaties per 1.000 hectare per provincie

Een geheel ander soort "maatvoering" dan te kijken naar aantal woningen, is het terugrekenen van het aantal adressen met zonnepanelen cq. het geaccumuleerde vermogen naar de oppervlakte van het in de vergelijking meegenomen gebied. Dit doen we in de laatste twee grafieken in deze serie. Eerst voor het aantal adressen met PV-modules per provincie. Terug gerekend naar een oppervlakte van 1.000 hectare (= 10 vierkante kilometer). De oppervlakte gegevens heb ik zelf uit een CBS Statline tabel gehaald (laatste cijfer update voor 2015). Wat is de impact van die "oppervlakte" maatvoering in de vergelijking tussen de provincies ?

Ook hierin weer een "nieuw soort kampioen". Nog steeds sedert de update van september 2015, en nog verder uitgelopen, de dichtbevolkte randstedelijke provincie Utrecht. Waar ruimte schaars is, en alles een beetje bij elkaar is gepropt. Daarbij "helpt" natuurlijk ook heel erg in deze lijst, dat Utrecht de kleinste provincie is (nog geen 145.000 ha). Daarbij komt, dat er daar "de nodige animo" is voor zonnestroom. Denk bijvoorbeeld aan de zeer vooruitstrevende zonnewijk Lombok, een rasecht burgerinitiatief met fantastische (PV) projecten. De zogenaamde "miljardste wattpiek" in NL is niet voor niks tongue-in-cheek en puur symbolisch gevierd bij Elinkwijk in het noordelijk deel van de hoofdstad. De consequentie van de combinatie "kleine provincie" en "schmeckt gut, solar" in Utrecht is dat de provincie, die een steile groeicurve doormaakte tijdens de nationale subsidieregeling voor particulieren in de jaren 2012-2013, en deze groeilijn zelfs daarna wist aan te houden, met stip bovenaan is geeindigd, met 193 adressen met zonnepanelen per 1.000 hectare.

Ze wordt op afstand gevolgd door een opvallende nieuwe numero twee, Provincie Limburg. Ook een "kleine" provincie (het is qua oppervlakte de 2e van de 12), en sinds de Zonnig Limburg acties (momenteel over de 25.000 zonnepanelen afgezet) voortvarend in de residentiële sector. Dat kon nog wel eens een "stevig vervolg" gaan krijgen, met het ambitieuze PV project bij de Parkstad gemeentes, wat momenteel (15 april 2018) volgens eigen zeggen al over de 35.000 panelen zou hebben geplaatst bij 2.360 deelnemers... De combinatie "kleine provincie en veel residentiële PV installaties voert tot een hoge positie in de huidige rating: 170 binnen het KMt geregistreerde adressen met PV modules per 1.000 ha.

Met het oprukkende Limburg, en met een t.o.v. de overige provincies fors tegenvallende groei van mijn eigen provincie in 2016 (zie ook eerste grafiek in deze analyse), is Zuid-Holland ditmaal op de derde plaats beland, met 163 PV adressen per 1.000 ha. Ook al is de aanwas in 2016 bij de hollandse "zuster" van mijn provincie, Noord-Holland groter geweest, ze volgt pas op grote afstand op de vierde plaats, met 125 stuks per 1.000 ha. De provincie heeft een 20% groter oppervlak dan Zuid-Holland, dus dat is niet vreemd.

Aan de onderkant van de "ladder" vinden we provincies die deels regelmatig bij de andere kampioens-posities waren te vinden (voorbeeld PV vermogen per inwoner). Van onder naar boven achtereenvolgens, wellicht verrassend, "nieuwkomer" Friesland. De grootste - en op het vlak van zonnestroom nogal ambitieuze - provincie, met gemiddeld slechts 37 adressen met PV panelen per 1.000 hectare in deze update. Daarmee schoof "het nieuwe land" Flevoland, wat natuurlijk per definitie niet heel erg veel adressen heeft in vergelijking met haar zuster provincies, die al eeuwen bevolkings-geschiedenis achter de kiezen hebben, een plaatsje naar boven. Met 47 PV adressen per 1.000 ha. Daarboven volgen resp. Zeeland (62), Drenthe (80), resp. het op gebied van residentiële PV systemen hard gegroeide Groningen (84 PV-adressen/1.000 hectare). In het midden-gebied volgt nog een groepje van drie provincies die iets boven het gemiddelde uitkomen.

Het provinciale gemiddelde (zwart gestreepte lijn) ligt eind 2016 op een niveau van 100 adressen met PV modules per 1.000 hectare. Ook hier is de spreiding tussen de provincies al aanzienlijk, zeker vanuit het oogpunt bezien dat het hier om een "relatieve" waarde gaat (terugrekening naar oppervlakte eenheid). Het verschil tussen de slechtste (Friesland) en beste "performers" (Utrecht) ligt hier op een factor 5,2.


(8) PV vermogen per 1.000 hectare per provincie

Tot slot een equivalente grafiek als onder (7), maar nu voor de bij Klimaatmonitor geregistreerde PV capaciteit per 1.000 hectare.

De laatste "kampioen" in deze lange serie blijft onze in de vorige update op de eerste plaats gekomen Bourgondische provincie uit het (voor randstedelingen) "verre" zuiden des lands, Limburg. Die haar voorsprong op de rest verder heeft uitgebouwd. Met eind 2016 reeds 821 kWp/1.000 hectare. Waarbij het, ondanks een hele lichte terugval wat de groei betreft, fors afstand nam van nummer 2, Utrecht. Die op 722 kWp/1.000 ha bleef steken. De reden is dat met in name noord(west) Limburg in recente jaren in razend tempo grote stal complexen worden voorzien van grote aantallen zonnepanelen. Wat de capaciteits-uitbouw voor de hele provincie mede in een forse versnelling heeft gebracht, bovenop de hoge residentiële activiteit. En wat het "gat" tussen Limburg en Utrecht bij de geaccumuleerde capaciteiten mede heeft doen toenemen (grafieken onder paragraaf 2). Met name de toevoeging van nogal wat grote single-site PV-installaties is volgens mij de reden van de relatief hoge hellingshoek van het olijfgroene lijn segment in de periode 2014-2015. De provincie is daarbij ook nog de twee na kleinste van allemaal (221.000 hectare, nogmaals, Utrecht is de kleinste, nog voor Zeeland), dat getal staat in de noemer van deze vergelijking, "dus" scoort Limburg het hoogst. Na deze twee top atleten valt er een groot gat, en mag mijn provincie Zuid-Holland de troostprijs op de derde plaats ophalen, met 616 kWp/1.000 ha nog vlak voor het flink terug gezakte Overijssel (593 kWp/1.000 ha).

Aan de onderzijde van dit spectrum verkeren ditmaal, van onder af, het grote Friesland (217 kWp/1.000 ha), Zeeland (stuivertje gewisseld met Flevoland, 243 kWp/1.000 ha) en, op forse afstand in positieve zin, Flevoland, met 364 kWp/1.000 ha.

Voor de laatste maal: Groningen, met WV subsidies van gas grootmachten Exxon en Shell (via NAM) opgestuwd in de vaart der volkeren (althans: in de 11 gemeentes die het betreft), groeide ook bij deze variabele "stevig" door. Van een (gedeelde) op 2 na slechtste positie (periode 2013-2014) naar eind 2016 alweer moderate 8e positie (462 kWp/1.000 ha). Ze heeft daarbij inmiddels Drenthe achter zich gelaten, en is begonnen de positie van "Grote Zus" Gelderland te bedreigen. Dat gaat zeker lukken, want in Groningen is al enige tijd "immense" activiteit op het gebied van de planning én uitvoering van zeer grote zonneparken, dus Gelderland mag waarschijnlijk in een volgende update haar positie afstaan (en wellicht zelfs Noord-Holland ook nog). Groningen zat eind 2016 nog net onder het landelijke / provinciale gemiddelde, wat met de laatste cijfers ligt op een niveau van 477 kWp/1.000 hectare. Een groei van 50% sedert de update van september 2015 (317 kWp/1.000 ha).


Kaartjes met drie variabelen per provincie uit Klimaatmonitor database

Tot slot geef ik van drie variabelen de door Klimaatmonitor gegenereerde kaartjes met "actuele" (status 2016) data van de provincies in Nederland. Met achtereenvolgens de verdeling van de aantallen adressen met PV modules, de daarmee gepaard gaande PV capaciteit per provincie. En, tot slot, de belangrijke indicator capaciteit per inwoner.

Plaatjes gegenereerd door © Klimaatmonitor database (Rijkswaterstaat)

In het bovenste kaartje de aantallen PV adressen cq. lokaties per provincie, met de hoogste concentraties in de 2 grote Randstad provincies (exclusief Utrecht met "gemiddeld" aantal), en de grote steden rijke provincies Gelderland en Noord-Brabant (oranje kleur). En de noordelijke provincies Groningen en Friesland, alsmede Zeeland en Flevoland als minder goed bedeelde provincies (lichtgroene kleur).

In het tweede kaartje de in Klimaatmonitor geregistreerde capaciteiten (kWp), waarbij er een duidelijke uitschieter is te zien: Noord-Brabant, met eind 2016 al veel capaciteit op boerderijen op het land, vermeerderd met actieve grote steden als Breda en Tilburg, die de provincie duidelijk boven de rest uit tillen (rode kleur). Wederom vallen Noord- en Zuid-Holland, Gelderland, maar nu ook Overijssel (ook veel capaciteit op het platteland), in de categorie "hogere" echelons (oranje). Utrecht, Zeeland, Flevoland, Friesland en Drenthe vallen in de categorie "lagere" volumes. Groningen en Limburg worden onder "gemiddeld" geschaard (lichtgeel gekleurd).

Tot slot, in het onderste kaartje de belangrijke parameter "capaciteit (in Wp) per inwoner", wat een eerlijker vergelijkingsmaat tussen de provincies onderling weergeeft. Hierin steken overduidelijk Groningen, Drenthe en Flevoland boven de middelmaat uit (rood). Volgen Friesland, Overijssel, Limburg en Zeeland in de categorie "hogere" volumes (oranje). "Gemiddeld" worden Gelderland en Noord-Brabant bevonden (lichtgeel). Waarna Zuid- en Noord-Holland met "lagere" volumes de serie compleet maken (groen).


Conclusies

Net als bij de gemeentes, is de diversiteit bij het veel grootschaliger niveau van de provincies onverminderd groot. Op elk facet lijkt weer een ander stel provincies de leiding te nemen, wat grotendeels is terug te voeren op economisch/sociale, of puur fysische condities. Deels zijn die te beïnvloeden, waarvan uiteraard voor de zoveelste maal Provincie Groningen het meest spraakmakende voorbeeld is. Want in de meeste ratings katapulteerde deze noordelijke provincie zich, geholpen door forse subsidies uit de Waardevermeerdering ruif, met een fors tempo omhoog in diverse statistieken. Daarbij verschillende zuster provincies in verbijstering achter zich latend. Andere ratio's zijn lastiger te beïnvloeden, ook al omdat in alle provincies zonnestroom hard groeit, onderscheidende condities daardoor deels verzuipen in de statistische ruis, en eventuele beperkingen slechts matig invloed zullen hebben op de groei ratio's. We staan echter nog maar aan het begin van de echte groei, er is nog heel erg veel mogelijk op alle terreinen, en in alle provincies. Het is dus beslist niet uit te sluiten dat door - deels toevallige, dan wel "geplande" - diverse ontwikkelingen de volgorde tussen de provincies onderling alsnog weer zal gaan wijzigen de komende tijd. Mijn overtuiging is, dat met name de realisaties van - zelfs een beperkt aantal - grote zonneparken, tot nogal wat interne verschuivingen zullen gaan leiden de komende jaren.

We hebben bij de provincies meerdere winnaars, net als we eerder al bij de gemeentes hebben gezien (voorbeelden in separate update van februari 2014). Waar een ieder voor zich van mag uitmaken wat hij/zij het belangrijkste criterium vindt. Zelf vind ik aantal adressen met zonnepanelen t.o.v. het totale woning bestand een belangrijk criterium, omdat solar decentrale revolutie moet / zou moeten zijn. Als dat het niét wordt, doordat bijvoorbeeld een salderings-regeling zou worden uitgehold cq. omgezet in een nog steeds onzekere "subsidie op momentane zonnestroom overschotten", terwijl tegelijkertijd gigantische SDE gesubsidieerde projecten zouden worden gebouwd door (zeer waarschijnlijk voor een groot deel buitenlandse) commerciële partijen, (deels) op kosten van de burgers, wordt het draagvlak op spel gezet. En dat is wat we met solar, de meest decentrale "optie" van allemaal, beslist niet moeten hebben!

Polder PV is uiteraard nieuwsgierig wat een nieuwe update van de Klimaatmonitor databank, voor het ook al lang verstreken jaar 2017 zal gaan opleveren. Er is inmiddels op de achtergrond behoorlijk wat "beweging" op het vlak van verbetering van de openbaring van zonnestroom data, maar daar zal wellicht nog even wat extra water door de Rijn gaan vloeien...


Voetnoten / disclaimer

1 De in de versie van april 2018 beschikbare datareeksen bevatten voor KMt cijfers vanaf 2008. In de versie van september 2015 waren ook nog data van 1999-2004 te zien (over de tussenliggende periode 2005-2007 waren toen ook geen data voorhanden). Aangezien data voor die eerdere jaren geheel ontbreken in de meest recente versie, heb ik de grafieken over de periode 2008-2016 laten lopen.

2 Optelling provincie totalen komt meestal overeen met de accumulatie voor heel Nederland (in een apart data veld in Klimaatmonitor database), behalve voor 2016, waarbij er 20 PV projecten minder resulteren uit de optelsom. Dit heeft te maken met de toewijzing op gemeente niveau. Klimaatmonitor stelt hier over in een toelichting: "Het totaal van Nederland kan afwijken van het totaal van alle Nederlandse gemeenten, omdat niet alle systemen aan een gemeente gekoppeld kunnen worden, bv. i.v.m. ontbrekende of foutieve locatiegegevens."

3 (nagekomen 20 april 2018). N.a.v. de huidige analyse op provinciaal niveau, ben ik me ook gaan richten op het vlak van gemeentes. Tijdens het deels uitwerken van die data kwam ik op een zeer vreemde aberratie, een extreem verlies aan PV adressen in uitsluitend gemeente Den Haag (die normaliter in de bovenste regionen verkeert op het gebied van adressen met zonnepanelen). Naar aanleiding daarvan heb ik vragen gesteld aan Klimaatmonitor en CBS over de mogelijke oorzaak. Na enige discussie volgde hieruit de belangrijke disclaimer van de zijde van het CBS, die u hier niet onthouden mag worden (zeker niet waar het de interpretatie van "aantallen" PV projecten betreft):

"Aantallen systemen/adressen zijn lastig precies te definiëren en eenduidig af te leiden uit registraties. Het is wel zeker dat het in de Klimaatmonitor (t/m 2015) op een iets andere manier gegaan zal zijn dan in onze publicatie [PPV: publicatie en bijlage van 11 april 2018]. De cijfers zijn in principe niet zondermeer vergelijkbaar ... We zijn van plan om in de toekomst over te stappen op “locaties” als eenheid voor het definiëren van aantallen. Dan zullen we ook cijfers voor oudere jaren publiceren".


Links naar eerdere artikelen Klimaatmonitor op Polder PV en extern

Agrarische gemeentes kampioen bij realisatie SDE beschikte PV projecten - Noordoostpolder ver voorop (23 maart 2017)

Klimaatmonitor updates 21 september 2015:

Kwantificering van effecten zonnestroom subsidies gas-provincie Groningen I - Effecten op gemeente niveau (26 okt. 2015)
Kwantificering van effecten zonnestroom subsidies gas-provincie Groningen II - Globale effecten, impact van de regeling (3 nov. 2015)
Klimaatmonitor update september III - nieuwe ronde, nieuwe prijzen met de nationale gemeente ratings (12 november 2015)
Klimaatmonitor update september IV - ook bij Provincies verschillende winnaars (26 november 2015)

Zonnestroom in NL vanaf 2013, update 7. Klimaatmonitor update inclusief eerste jaarhelft 2014 (18 juli 2014)

Voor uitgebreide link-lijst naar eerdere Polder PV analyses van (nieuwe) Klimaatmonitor data op het gebied van zonnestroom, zie onderaan deel I van de serie artikelen uit 2015.

Extern / recente referentie naar Klimaatmonitor data:

Ermelo investeert fors in zonnepanelen (10 april 2018)

Klimaatmonitor databank (Rijkswaterstaat)

(Toegevoegd, 17 april 2018)

Opgesteld vermogen zonnepanelen, gemeenten, 2016 (CBS). Waarschijnlijk de "voedingsbodem" van de nieuwe update van de Klimaatmonitor databank, een nieuwe methodiek waarbij het CBS zonnepanelen op woningen en op bedrijven in Nederland aantallen (adressen) resp. het geaccumuleerde vermogen heeft proberen te bepalen voor 2016. Daaruit is een eerste voorlopige "maatwerktabel" ontstaan. Het onderzoek is aangevraagd cq. gefinancierd door 40 gemeentes in samenwerking met Netbeheer Nederland. Dit alles is via een oproep van Klimaatmonitor (Rijkswaterstaat) tot stand gekomen, waar Polder PV reeds geruime tijd van op de hoogte was. Zoals het CBS in het artikel zelf aangeeft, moeten er nog zaken worden gestroomlijnd, en vindt meer onderzoek plaats, om de nog voorlopige cijfers meer in lijn te krijgen met de tot nog toe bekende data uit de "klassieke" leveranciers-onderzoeken. Zie ook artikel in Solar Magazine (17 april 2018). Polder PV heeft n.a.v. zijn publicatie van dit artikel al een opvallende "aberratie" gezien in de cijfers op gemeente niveau, en heeft daarover al navraag gedaan.

Opgesteld vermogen zonnepanelen, gemeenten, 2017 (CBS). Al vrij snel, op 7 mei 2018, kwam CBS met alweer een update, en wel van 2017. Met bijgesteld eindejaars-vermogen voor het jaar 2017 en de nodige andere nieuwigheden. Zie analyse van Polder PV in artikel van 8 mei 2018.

 

 
 
 
© 2018 Peter J. Segaar/Polder PV, Leiden (NL)
^
TOP