Nieuws zonnestroom actueel
links
PV-systeem
basics
grafieken
graphs
huurwoningen
nieuws
index
 

SOLARENERGYERGY

Nieuws P.V. pagina actueel

meest recente bericht boven

Specials:
SDE 2019 najaarsronde eindelijk bekend. Deel 1. Beschikkingen - 1.954 MWp PV
SDE 2019 najaarsronde. Deel 2. Kern parameters cumulaties alle SDE - SDE "+" beschikkingen
RES segmentatie en status grondgebonden zonneparken Nederland: meest actuele CBS versus Polder PV data

22 juni 2020 en recenter


 
^
TOP

1 juli 2020: Tegenvallende productie juni, maar blijvend zeer hoge hoeveelheid zonnestroom in eerste half jaar bij Polder PV. Na het toch wel weer spectaculaire productie record van mei 2020, kon het niet anders, dan dat juni daarbij wat zou tegenvallen. Het werd letterlijk "een domper", een sub-gemiddelde opbrengst voor die maand, maar ondanks die tegenvaller is, gecombineerd met fors bovengemiddelde opbrengsten in maart tm. mei, de conclusie nog steeds positief: het eerste half jaar van 2020 heeft het 19 tot 20 jaar oude kern-systeem van Polder PV, op het record jaar 2003 na, het beste gepresteerd.

Dit toon ik als gebruikelijk in de "totaal" grafiek voor ons kern systeem, met 10 panelen goed voor een opgesteld (oorspronkelijk) nominaal STC vermogen van 1,02 kWp:

In deze grafiek staan alle maand opbrengsten van ons "kern" systeem bij elkaar. Tot oktober 2001 nog slechts met 4 panelen (donkerblauwe en magenta curves), vanaf november met 10 PV modules, 1,02 kWp, tot op de dag van vandaag (producties van andere, latere toevoegingen, hier niet verder meegenomen, om vergelijkbare resultaten van een en hetzelfde systeem te laten zien).

De maand producties voor 2020 (turquoise curve) culmineren in de "extreme" opbrengst in mei (bijna 151 kWh), maar vallen vervolgens flink terug naar een sub-gemiddeld niveau in juni 2020, met een opbrengst van ruim 117 kWh. Dat komt neer op een specifieke maand opbrengst van bijna 115 kWh/kWp. Het is beslist niet het slechtste resultaat voor juni, in 5 eerdere jaren waren de resultaten nog (fors) minder, culminerend in de zeer lage, ruim 103 kWh, in de beruchte juni 2016. Die maand was niet alleen "zeer nat, somber en warm" volgens het KNMI, maar vertoonde op de 23e ook nog eens de extreme mega-hagel in zuid-oost Nederland uit een "supercell", die majeure schade heeft veroorzaakt, ook aan een forse hoeveelheid PV systemen in de smalle zone met de grootste hagelstenen in die regio.

De tot nog toe hoogste productie werd voor juni bij het kern-systeem van Polder PV behaald in het in meerdere opzichten record jaar 2003, toen de productie voor die maand piekte op ruim 139 kWh. Het gemiddelde voor juni is in de periode 2002-2020 (volledig bemeten 1,02 kWp deel-systeem) 121,8 kWh geweest (119,4 kWh/kWp).

Mede door het "maximum" in mei, en de relatief sub-gemiddelde opbrengst in juni, krijgt de jaar-curve in 2020 weer een zeer grillig verloop. Dit is "relatief normaal", de meeste jaren vertonen ook pieken en dalen bij de maand-producties, zoals bijvoorbeeld ook in extreme mate bij 2006 het geval is geweest (piekend in juli, zeer laag in augustus, weer hoger in september, waarna de lagere opbrengsten in de winter de curve weer omlaag trekken). De zwarte lijn middelt al die pieken uit, en geeft het maandgemiddelde over de volledig bemeten periode (voor het 1,02 kWp kern-systeem: november 2001 tm. juni 2020) weer. Bij die maand-gemiddelde curve "dipt" juni iets tussen de wat hogere opbrengsten in mei en juli, maar het verschil blijft marginaal, en kan met elk "extreem" in een van die drie maanden weer een licht gewijzigd beeld gaan vertonen. Standaard blijft: bij Polder PV's kern-systeem, blijven de gemiddelde maandproducties in mei tot en met juli "ongeveer op een gelijk, en hoog niveau".

KNMI (toegevoegd na publicatie van eerste versie van dit artikel)

Het KNMI bestempelde juni 2020 met de kwalificatie "maand met twee gezichten". Het was zeer warm, én zonnig, én nat. In het klassieke maandoverzicht (voorlopig overzicht) wordt gerept van landelijk bepaald 232 zonuren t.o.v. het gemiddelde van 201, wat de maand het predikaat "zeer zonnig" opleverde. De verschillen waren echter groot, van slechts 207 zonuren in Eelde (Drenthe) tot zelfs plaatselijk 260 zonuren in Zeeland. De Bilt lag bovengemiddeld, met 228 t.o.v. 194 zonuren over de historisch gemiddelde meetreeks (1981-2010). Met een etmaalgemiddelde temperatuur van 17,5°C tegen 15,6°C normaal in De Bilt was juni zeer warm, volgens het KNMI. Dat is een van de belangrijkste redenen, dat onze installatie in Leiden "sub-gemiddeld" presteerde, ondanks het hoge aantal zonuren. Dit, omdat de micro-inverters, in huis geplaatst, het dan zwaar hebben. Ik heb regelmatig "drop-outs" gezien in juni, omdat deze oude apparaatjes hun warmte niet goed kwijt konden, ondanks geforceerde koeling. Dit, gecombineerd met het relatief lage omzettings-rendement van deze micro-inverters, maakt dat onder dergelijke omstandigheden, de installatie niet "op de max" kan presteren.

In deze tweede grafiek toon ik wederom alleen de maandelijkse producties in de laatste vier jaar, en het langjarige gemiddelde (zwarte lijn) voor het 1,02 kWp kern-systeem van Polder PV. Hier is duidelijk het opvallende verschil in "prestatie" te zien tussen de eerste twee sub-gemiddelde, en de 3 opvolgende maanden in 2020, met (veruit) bovengemiddelde opbrengsten. Waarna juni de curve weer sterk omlaag trok naar het sub-gemiddelde niveau van 117 kWh. De fluctuaties per maand zijn opvallend groot. Juli 2018 vestigde net geen maand record (zie eerste grafiek: juli 2006 toen nog op 1). De nieuwe record houder bij Polder PV, mei 2020, toonde een productie die maar liefst 22% boven het gemiddelde voor deze maand lag, voor het kern-systeem van 10 panelen (124 kWh, zwarte lijn). De gemeten productie in juni ligt bijna 4% ónder het gemiddelde.

Het kalenderjaar 2003 had continu zeer hoge opbrengsten, en steekt nog steeds, met de accumulatie van de maandelijkse producties in januari tm. juni, met kop en schouders boven de rest uit. En wel, met 591 kWh in die eerste 6 maanden. De tweede plaats wordt sedert het mei rapport door het huidige jaar, 2020, ingenomen, met een accumulatie van 544 kWh productie van januari tm. juni. Vooral de record opbrengst van mei, aangevuld met de hoge producties in maart en april, heeft het huidige jaar, ondanks de hoge ouderdom van onze installatie, van dit fraaie resultaat voorzien.

Het verschil met het langjarige gemiddelde van de accumulatie, in april nog 5,7%, en in mei zelfs 10,9%, is nu, inclusief de wat tegenvallende productie in juni, weer wat terug gevallen naar nog steeds een respectabele 7,5% (t.o.v. langjarig gemiddeld 506 kWh, oranje kolom achteraan en horizontale stippellijn).

In deze grafiek is het magere resultaat tm. juni in 2005 te verklaren door het feit dat we destijds te maken hadden met nog buiten hangende micro-inverters, waarvan er enkelen al in het voorjaar langdurige drop-outs begonnen te vertonen, en die langere tijd niet vervangen konden worden (een "artificiële dip", dus).

In deze 2e versie van de in het vorige overzicht geïntroduceerde nieuwe grafiek heb ik de voortschrijdende accumulaties van de maandelijkse zonnestroom producties per kalenderjaar uitgezet voor het 1,02 kWp kern-systeem. Tot en met december (= kalenderjaar productie voor het betreffende jaar). Dit alleen voor volledig bemeten jaren, voor deze kern-installaties zijn dat de jaren 2002 tm. 2019. Waarbij er 2 uitzonderingen zijn. 2020 is ook al toegevoegd, maar natuurlijk slechts tot en met juni bekend (blauwe curve, lijn dikker aangezet om het jaar wat duidelijker te laten zien). Voor 2010 zijn de accumulaties vanaf september te laag, omdat het complete systeem in sep. - okt. dat jaar volledig van het net was gekoppeld i.v.m. een dakrenovatie. En de rest van dat jaar dan ook als niet representatief beschouwd kan en mag worden vanwege derving van "normale productie" (derhalve laatste stuk van de curve gestippeld weergegeven).

Duidelijk is te zien, dat 2003 bij de maandelijkse accumulaties absoluut record jaar is, en waarschijnlijk zal blijven bij Polder PV. Dat jaar eindigt op een kalenderjaar productie (1.070 kWh), die ver uitkomt boven die van andere jaren. 2018 kwam op "slechts" 963 kWh uit. 17 jaar later werd er, tot en met juni 2020, een 2e plaats bereikt, met een reeds véél oudere installatie. Het slechtste "normale" jaar was tot nog toe voor ons 2012, wat op een "dieptepunt" belandde van slechts 885 kWh aan het eind van het jaar. Wat trouwens ongeveer even laag was in 2013.

Oudste vier panelen

Zie de mei rapportage voor de totale maand grafiek voor het aller-oudste deel-systeem (4x 93 Wp, net-gekoppeld in maart 2000), met record waarde voor dat oude deel-systeem die maand.

Voor alleen de maand juni heb ik ook een aparte grafiek voor deze oudste set van 4 zonnepanelen gemaakt, met het verloop van de producties in die maand:

Maandreeks voor productie in de maand juni in de jaar reeks 2000 - 2020 van ons ruim 20 jaar oude PV deel-systeem (4x 93 = 372 Wp). Het gemiddelde voor die maand is over de getoonde periode 44,1 kWh (donkere kolom rechts en horizontale zwarte stippellijn), iets lager dan het lang-jarige gemiddelde voor mei (45,3 kWh, zie vorige maand overzicht). Juni 2020 kwam krap boven het gemiddelde uit, met 44,3 kWh (weer een stuk lager dan de 45,6 kWh in juni 2019). Voor deze oudste sub-groep derhalve een specifieke opbrengst van 44,3/0,372 = 119 kWh/kWp, die maand.

De hoogste waarden vinden we nu in het begin van de historie, met voor juni 2001 maar liefst 49,8 kWh (13% hogere productie t.o.v. gemiddeld), en ook in juni 2003 (48,8 kWh) een hoog niveau tonend. Degelijke hoge waarden vinden we later niet meer terug. De verklaring hiervoor is, dat onze toen nog vrij nieuwe micro-inverters tot en met voorjaar 2005 onder op de zonnepanelen waren gemonteerd (zo werden destijds de sogenaamde "Sunpower" pakketten met 4 tot 6 "AC-panelen", door de energiebedrijven, bij ons EWR, verkocht). In onze sterk ge-exponeerde opstelling, op open frames, boven op het platte dak van de vierde verdieping, werden daardoor deze apparaatjes goed, continu, natuurlijk gekoeld door convectie. In 2005 werden, door toenemende problemen met die micro-inverters, deze na interventies door Polder PV naar binnen in ons appartement op de begane grond verplaatst (en de complete bekabeling vernieuwd, van dak naar begane grond gewijzigd van AC naar DC bekabeling). Binnen in huis hebben ze daarbij nauwelijks meer "natuurlijke" koeling, en worden ze behoorlijk warm. Dat is een negatieve factor in het totale systeemrendement. Ook omdat die micro-inverters inmiddels al hoogbejaard zijn, koel ik ze de laatste jaren geforceerd met computer ventilatortjes als het zeer warm is. Maar de huidige systeem opzet laat, zelfs bij gemiddeld hoge instraling, bij warm weer en relatief hoge temperaturen in huis, zeer hoge "piek" producties niet meer toe. Mei 2020 was daarop een uitzondering, het was die maand sowieso veel koeler dan juni, en het was dan ook in alle opzichten een "zeer byzondere maand" (zie vorige rapportage).

De zeer lage waarde in juni 2020 (36,1 kWh) wordt veroorzaakt door langdurige uitval van een micro-inverter, waarvan het lang duurde voordat deze vervangen kon worden. Juni 2007 was "nat en somber" volgens het KNMI. Idem voor juni 2012, juni 2016 was, zoals reeds gezegd zelfs "zéér nat en somber". Omdat de productie in juni normaliter hoog kán zijn, vallen dergelijke dips, bij sterk tegenvallend "zomerweer" altijd direct op.

De meterstand van onze enkeltarief Ferrarismeter is ten opzichte van de beginstand van 1 juni 2020 wederom 72 kilowattuur terug gedraaid, ondanks het feit dat we continu thuis zijn en werken, en de productie van zonnestroom die maand wat tegenviel ten opzichte van "gemiddeld".

Bronnen

Intern:

Maandelijkse productie metingen Polder PV sedert maart 2000

Stralend licht uit de prehistorie: Na 166 maanden nieuw maand productie record voor Polder PV (record maand productie in mei 2020)

Extern:

Junimaand met twee gezichten (KNMI, 1 juli 2020)

Juni 2020 - Zeer warm, zeer zonnig en nat (KNMI, 1 juli 2020, voorlopige rapportage)


29 juni 2020: SDE 2019 najaarsronde. Deel 2. Kern parameters cumulaties alle SDE - SDE "+" beschikkingen. Na een verdiend weekend kamperen in onze provincie, waarbij we tijdens het fietsen nog een leuk randstedelijk zonneparkje bezochten, pakken we de draad weer op met de analyses van de najaars-regeling van SDE "+" 2019, waarvan het eerste deel op 25 juni jl. werd gepubliceerd. In dit tweede artikel in de reeks gaan we weer kijken naar de evolutie van enkele hoofd parameters, vanaf de eerste SDE 2008, tot en met de SDE 2019 II regeling. Eerder deed ik dit al voor de status tot en met de voorjaarsronde van SDE 2019 (zie analyse in artikel van 13 november 2019).

Oorspronkelijke allocaties budgetten voor alle SDE regelingen

In bovenstaande grafiek het totaal aan daadwerkelijk toegewezen oorspronkelijke budgetten voor alle SDE regelingen, voor als "hernieuwbaar" bestempelde energie opwek opties, tot en met SDE 2019 II. Er zijn twee wijzigingen t.o.v. de in de vorige analyse gepresenteerde grafiek. SDE 2019 II is nu "definitief". De beschikbare 5 miljard Euro aan budget is daadwerkelijk ingevuld ("ge-alloceerd"), i.t.t., bijvoorbeeld, het beschikbare vergelijkbare budget voor de voorjaarsronde van SDE 2019, wat daar bijna 1,1 miljard Euro onder is gebleven.

Ten tweede, zijn er enkele oudere cijfers gewijzigd. De oorspronkelijke, in de vorige versie gepresenteerde data heb ik uit de eerste kamerbrieven over de desbetreffende regelingen gehaald. In de kamerbrief van 24 juni 2019, werd echter een historisch overzicht gegeven (figuur 1 in bijlage 1), met de nu kennelijk geldende deel-budgetten toegewezen aan alle aparte regelingen. Die zijn (iets) verschillend voor de volgende jaargangen:

  • 2012 oorspronkelijk MEUR 1.700 >> is MEUR 1.715 geworden
  • 2014 oorspr. MEUR 3.500 >> MEUR 3.536
  • 2015 oorspr. MEUR 3.500 >> MEUR 3.543
  • 2016 I oorspr. MEUR 4.000 >> MEUR 4.001
  • 2016 II oorspr. MEUR 5.000 >> MEUR 5.011
  • 2018 I oorspr. MEUR 3.563 >> MEUR 3.798
  • 2018 II oorspr. MEUR 6.000 >> MEUR 6.004
  • 2019 I oorspr. MEUR 3.905 >> MEUR 3.906

In totaal telt het aantal wijzigingen t.o.v. de oorspronkelijke volumes op tot een extra 346 miljoen Euro, wat neerkomt op bijna 0,6% meer dan aanvankelijk was gepubliceerd. Vooral de wijziging voor SDE 2018 I is opvallend (die regeling was enorm "onder beschikt" t.o.v. het toen nog geldende deel budget van 6 miljard Euro, een combinatie van lage "vraag", én forse uitval van foute of weer ingetrokken aanvragen). Met het huidige door Min. EZK gepubliceerde cijfer is er voor die regeling 6,6% meer toegekend dan aanvankelijk was gepubliceerd, Mogelijk heeft dit te maken met latere wijzigingen rond, bijvoorbeeld, in een laat stadium ingetrokken SDE beschikkingen, waarvoor in de plaats nieuwe zijn gekomen, of gealloceerde capaciteiten zijn na publicatie van de kamerbrief gecorrigeerd door RVO. Hier wordt echter niets over gezegd door Min. EZK.

Alle nieuwe cijfers staan nu in deze ververste grafiek vermeld. Links van de rode stippellijn de "oude" 3 SDE regelingen (bij zonnestroom gedomineerd door residentiële aanvragen en kleine installaties bij MKB, instellingen e.d.). Rechts alle SDE "+" regelingen, waarbij voor PV de ondercap op 15 kWp werd ingesteld, en er geen bovenlimiet meer was. Vanaf SDE 2016 zijn er telkens twee jaar rondes geweest (voorjaar, blauw, en najaar, oranje), die de toegewezen kalenderjaar budgetten enorm hebben doen "springen". Waren de jaar volumes tm. 2012 nog relatief bescheiden, tussen de 1.401 miljoen Euro (SDE 2008) en ruim 2,5 miljard Euro (SDE 2009, na ophoging van het budget), lagen de beschikte volumes in de drie jaar vanaf 2013 tussen de 3 en ruim 3 en een half miljard Euro. Vanaf 2016 ging "het gas" er op (2020 en Europese verplichtingen bleken angstwekkend dichtbij te zijn gekomen), met 9 miljard onder SDE 2016 toegewezen, een spectaculaire, bijna 11,9 miljard Euro in de twee jaar rondes van SDE 2017, en een hoge toewijzing van, inmiddels, 9,8 miljard Euro onder SDE 2018. SDE 2019 viel nog verder terug, maar had dan ook "slechts" 5 miljard Euro, gemaximeerd per ronde. Die werd wel ingevuld onder de najaarsronde, maar binnen SDE 2019 I werd slechts 78% toegekend van de beschikbare 5 miljard Euro: 3.906 miljoen Euro aan toewijzingen. Het totaal onder SDE 2019 werd daarmee 8.906 miljoen Euro. Een toekenning wat op 91% kwam te liggen van het niveau van de beschikkingen onder SDE 2018, en zelfs nog iets lager lag dan de oorspronkelijk beschikte 9.012 miljoen Euro onder de 2 SDE 2016 sub-regelingen.

Met de definitieve toekenning van het budget voor SDE 2019 II is, sedert de eerste SDE regeling in 2008, inmiddels een totaal (maximaal) budget toegewezen van 58,8 miljard Euro. Een fors deel daarvan zal echter nooit besteed gaan worden, door een combinatie van grote hoeveelheden reeds uitgevallen (danwel alsnog af te voeren) beschikkingen, allerlei problemen met projecten, tijdelijk stil liggende energie producties door verschillende oorzaken, minder uit te keren subsidie hoeveelheden als de marktprijzen van energie stijgen, etc.

Aandeel zonnestroom op totale budget toewijzingen

In deze grafiek worden, uitgesplitst per jaar ronde de totale toegewezen (oorspronkelijke, cq., hierboven bijgestelde) totaal budgetten voor alle SDE modaliteiten (inclusief zonnestroom) van links naar rechts weergegeven in blauwe kolommen, van SDE 2008 tm. SDE 2019 II. In gele kolommen zijn de toegewezen budgetten voor uitsluitend zonnestroom projecten weergegeven (voor beide kolommen rechter Y-as raadplegen). Aangezien voor de zonnestroom allocaties geen correcties zijn gepubliceerd (i.t.t. voor de totaal budgetten), heb ik de volumes gepubliceerd in de desbetreffende kamerbrieven voor de aparte regelingen gebruikt in deze grafiek. In een lichtgroene stippellijn volgt het daar uit vastgestelde aandeel van die PV project allocaties t.o.v. de totale toekenningen in de betreffende jaar rondes. Dit, in procent, met als referentie de linker Y-as.

Zonnestroom kon lang, tot en met SDE 2012, nauwelijk een deuk in het pakje SDE boter slaan, met toewijzingen van maximaal 101 miljoen Euro onder SDE 2009, slechts 4% van de totale toewijzingen (voor dat jaar 2,55 miljard Euro). SDE 2013 gaf, met iets meer beschikt volume, de opmaat naar de uitzonderlijke SDE 2014 regeling, waarvoor het zeer lang duurde voordat de laatste fase in ging. En er massaal (voor die tijd) werd aangevraagd - en beschikt: Een volume van 1,3 miljard Euro, opeens 37% van het totaal aantal toegewezen budget van ruim 3,5 miljard Euro dat jaar. Toen was er weer een tijdelijke terugval vanwege enorme budget allocaties naar biomassa bijstook in steenkolen centrales, en naar windenergie. In de voorjaars-ronde van SDE 2016 begon het tij weer definitief te keren voor zonnestroom. Aanvankelijk nog relatief bescheiden, met 172 miljoen Euro. Maar dat werd al 988 miljoen Euro onder de najaars-ronde dat jaar (20% van totaal budget allocatie), veerde op naar bijna 2,9 miljard onder SDE 2017 I (49%), en viel daarna weer terug naar een nog steeds respectabel niveau van ruim 2 miljard Euro onder SDE 2018 I. Desondanks was het toen het hoogste aandeel op de totale allocatie (ruim 53%), vanwege de zeer bescheiden toekenning van (bijgesteld) "slechts" 3,8 miljard Euro voor alle projecten.

SDE 2018 II liet een absoluut record in toegekend zonnestroom budget zien (bijna 3,3 miljard Euro), en daardoor kwam die regeling t.o.v. de totaal beschikte hoeveelheid van ruim 6 miljard Euro relatief bezien iets boven het niveau van de voorjaars-ronde van dat jaar uit (55% i.p.v. 53%). Vanwege de enorme terugval in het toegekende budget binnen de voorjaars-ronde van SDE 2019, slechts 3,9 miljard Euro totaal beschikt (er was 5 miljard Euro beschikbaar), én de blijvend hoge toekenning voor zonnestroom (ruim 2,5 miljard Euro), is het relatieve aandeel daarvan naar een record hoogte gestegen van ruim 65% van het totaal.

De najaars-ronde van SDE 2019 liet een duidelijke "verslechtering" van het aandeel van de beschikkingen voor zonnestroom zien, resulterend in slechts 1.734 miljoen Euro op een gealloceerd totaal budget van 5 miljard Euro. Een forse "terugval" naar 35% van de totale budget claim. Maar, gezien de enorme gegroeide stapel SDE beschikkingen die nog moeten wordt afgewerkt, wellicht niet slecht, om weer wat "rust in de tent" te krijgen bij installerend Nederland. Die hebben al werk voor de nodige jaartjes, waarbij vakantie nemen eigenlijk een luxe zal zijn. Mede gezien, de zeer krappe realisatie termijnen voor PV, tussen de anderhalf en drie jaar na ontvangst van de beschikkingen (tm. SDE 2019 II).

Mijn voorspelling in de voorgaande update (13 november 2019, SDE 2019 I finaal), dat we voor de resultaten voor SDE 2019 II "nog enkele maanden" moesten wachten, is in ieder geval een nogal onderkoeld statement gebleken. Tussen die datum, en de feitelijke publicatie van de najaars-ronde van SDE 2019 zaten maar liefst 7,4 maanden, dus het geduld is wel aardig op de proef gesteld ...

Totaal aantal aanvragen SDE beschikkingen voor PV projecten, en overgebleven hoeveelheid

Voor het totaal aantal aanvragen die ooit zijn gedaan voor zonnestroom projecten, volgt hier onder een update t.o.v. het exemplaar in de analyse van april 2019. Hierbij heb ik SDE 2019 II toegevoegd.

Het enorme aantal aanvragen voor SDE 2010 werd destijds grof door RVO afgeschat op "ruim 52.000", waarvan het allergrootste gedeelte toen direct in de virtuele papiershredders verdween wegens volstrekt ontoereikend budget. Om de cumulatie van de aanvragen verder te kunnen vervolgen in de tijd, heb ik die hoeveelheid destijds op 52.050 stuks gezet. Lange tijd bleef de curve zeer matig stijgen (relatief weinig toevoegingen per SDE regeling). Maar vanaf SDE 2016 is er een bijna rechtlijnige toename, en onder SDE 2019 II zelfs weer een iets verhoogd tempo van aantallen aanvragen terug te zien. De accumulatie van ooit aangevraagde SDE beschikkingen voor zonnestroom, nam op het laatst toe van ruim 109 duizend, naar bijna 116 en een half duizend stuks. Die cumulatie werd bereikt met 7.251 aanvragen onder SDE 2019 II. Van deze enorme volumes is ondertussen ook alweer heel erg veel afgevallen. In de update van april 2020 gaf RVO nog 31.333 overgebleven beschikkingen tm. SDE 2019 I op. Met de nu toegekende 986 exemplaren van SDE 2019 II, komen we dan op een resterende hoeveelheid van 32.319 beschikkingen voor zonnestroom (minus de nog niet gekende hoeveelheid die sedert april dit jaar alweer is verdwenen uit de RVO bestanden). Dat is nog slechts bijna 28% van het totaal volume ooit aangevraagd. Een monumentale verspilling van tijd en geld, die talloze partijen hebben gestoken in alle reeds verloren gegane beschikkingen ...

Gemiddelde omvang per aanvraag en per beschikking

Voor SDE 2015 en SDE 2016 ronde I zijn, voor de oorspronkelijke aantallen aanvragen, geen bijbehorende capaciteiten in MWp bekend, wel van de overgebleven toegekende projecten. Van de wel bekende aantallen beschikkingen, en de bijbehorende capaciteiten, is de volgende grafiek gereconstrueerd, met de berekende gemiddelde capaciteit per aanvraag / beschikking, per jaar ronde, tot en met SDE 2019 II.

Links van de stippellijn wederom de 3 oude SDE regelingen, met zéér bescheiden gemiddelde project beschikkingen van maximaal 28 kWp bij de aanvragen (paars), en slechts 2 kWp (SDE 2008), tot 8 kWp (SDE 2009) bij de oorspronkelijk toegekende beschikkingen (groen). SDE 2011, de eerste "SDE+" regeling, waarbij de bovencap op de aan te vragen systeemgrootte was verwijderd, begon met een anomalie bij de gemiddeld aangevraagde project grootte (laatste fase bij voorganger van RVO), maar bij de oorspronkelijke toekenningen bleef daar maar weinig van over: gemiddeld 74 kWp per beschikking.

Zowel bij de aanvragen als bij de oorspronkelijke toekenningen klommen vervolgens de volumes, naar gemiddeld 363 kWp per aanvraag onder SDE 2014, en 297 kWp bij de oorspronkelijke beschikkingen. Voor de twee rondes daarna is geen informatie voorhanden voor de aanvragen, maar bij de oorspronkelijke beschikkingen daalde het gemiddelde naar 215 kWp onder de voorjaars-ronde van SDE 2016. Daarna gingen de vlaggen in de mast, met de enorme budget allocaties van SDE 2017 tot en met SDE 2019 II. Grote projecten werden aangevraagd, resulterend in hoge volumes per aanvraag, culminerend in 658 kWp onder SDE 2018 II, wat ook met een record gepaard ging bij de uiteindelijke toekenningen (669 kWp gemiddeld per oorspronkelijke beschikking). Wel is de algemene trend geweest, op SDE 2018 II na, dat er veel minder grote beschikkingen overbleven dan werden aangevraagd, door uitval van kennelijk met name grotere project aanvragen. De discrepantie was onder SDE 2018 I het grootste (588 kWp aangevraagd, doch gemiddeld slechts 453 kWp beschikt, 23% minder).

Ook bij de voorjaars-ronde van SDE 2019 is bovengenoemde trend zichtbaar, al is die minder uitgesproken: de gemiddelde aanvraag van 564 kWp werd een gemiddelde beschikking van 531 kWp, 6% minder. Er zijn minder zeer grote projecten aangevraagd en beschikt dan in de populaire en succesvolle najaars-ronde van SDE 2018. Het niveau bij de beschikkingen daalde tussen die twee jaar rondes fors, met 21%.

Breekpunt SDE 2019 II m.b.t. toegekende gemiddelde capaciteit

Weer een compleet ander beeld zien we onder de nu bekende beschikkingen van de najaars-ronde van SDE 2019. Lag de gemiddelde omvang per beschikking bij de aanvragen, 641 kWp, nog tussen de "normale" niveaus van SDE 2018 II (658 kWp) en SDE 2019 I (564 kWp) in, is het verschil extreem in positieve zin omgeslagen bij de uiteindelijke beschikkingen, zichtbaar in de groene kolom. Nooit eerder is er zo'n hoog gemiddelde per beschikking bereikt als onder SDE 2019 II, waarvoor ik zelfs de Y-as flink heb moeten aanpassen. Een gemiddelde project beschikking binnen de najaars-ronde van SDE 2019 kreeg door RVO oorspronkelijk een capaciteit van 1.982 kWp toegekend ! Niet alleen is dit véél groter dan het gemiddelde bij de aanvragen (een factor 3,1 maal niveau aangevraagd, 641 kWp), wat inhoudt, dat enorm veel beschikkingen voor kleine projecten niet zijn toegekend, maar geprullebakkeerd. Maar ook is dit zeer hoge gemiddelde per beschikking een factor 3 hoger dan het hoogste tm. SDE 2019 behaalde niveau bij de oorspronkelijke toekenningen: 669 kWp onder SDE 2018 II. Het betekent onherroepelijk, dat veel partijen met slechts "kleine" PV projecten van, pak hem beet, een paar 100 kWp op een plat dak, in de najaars-ronde van SDE 2019 naast het potje hebben gepiest. Juist de categorie, die kennelijk zo "gewild" is, ook vanwege de flink bediscussieerde "maatschappelijke acceptatie" van zonnestroom, heeft dus een enorme kans gemist binnen SDE 2019 II.

De grote vraag is natuurlijk of die verhouding tussen aangevraagd en beschikt onder de ingelaste "extra SDE + ronde", SDE 2020 I (budget: 4 miljard Euro) weer zal zijn genormaliseerd op het "pre-SDE2019 II niveau", of dat ook onder die ronde de Grote Jongens hun kansen maximaal zullen blijken te hebben verzilverd. Er is binnen die meest recente regeling voor zonnestroom weer voor een zeer substantieel volume van 4 GWp aan projecten aangevraagd, waarvan de gemiddelde capaciteit 545 kWp is (artikel 21 april 2020).

Uiteraard zijn bij de overgebleven beschikkingen, na forse hoeveelheden uitval, de parameters wederom gewijzigd bij de eerdere SDE regelingen. Voor de exacte stand van zaken in de update van 6 april jl. (tot en met SDE 2019 I), verwijs ik u naar de uitgebreide analyse daarvan (met name de cijfers in de tabel). Daaruit blijkt, dat bij de toen bekende actuele status de gemiddelde omvang van de beschikkingen bij de overgebleven PV-projecten nog slechts 366 kWp per toekenning was (alle overgebleven projecten tm. SDE 2019 I). En dat bij de toen bij RVO bekende gerealiseerde project beschikkingen het gemiddelde nog maar op 167 kWp per beschikking lag. Met daarbij de belangrijke voetnoot, dat veel van de "zeer grote" projecten nog niet zijn gerealiseerd. Die, als ze daadwerkelijk worden opgeleverd, wat gezien de belangen in de meeste gevallen zeer waarschijnlijk zal zijn, daarbij onvoorziene calamiteiten terzijde schuivend, dat laatstgenoemde gemiddelde weer flink kunnen verhogen. Het blijft afwachten, hoe zich dit zal ontvouwen, want ik heb al van enkele grotere projecten capaciteit realisaties gezien die fors lager zijn dan de volumes waarvoor ze zijn beschikt. De waarschijnlijk belangrijkste reden: structurele problemen met de beschikbare netcapaciteit in de betreffende regio.

Kengetallen oorspronkelijk beschikte PV projecten tm. SDE 2019 ronde II

In deze laatste grafiek van dit tweede deel over de zonnestroom beschikkingen uit de SDE 2019 II subsidieronde, de evolutie van drie kengetallen, van SDE 2008 tm. SDE "+" 2019 II. Let op, dat de Y-as logaritmisch is weergegeven voor alle drie de kentallen. De blauwe kolommen geven de oorspronkelijk beschikte aantallen zonnestroom projecten weer*. De oudste 3 SDE rondes (links van de rode streepjeslijn) hadden grote aantallen (oorspronkelijk) toegekende beschikkingen, grotendeels voor particuliere daken en/of voor kleine bedrijven, scholen, e.d. Een substantieel deel daarvan is trouwens in de loop der jaren alweer afgevallen om diverse redenen (overzicht zie hier). SDE 2011-2013, de eerste drie SDE "+" regelingen, hadden beperkte aantallen beschikkingen, tussen de 110 (SDE 2012) en 678 (SDE 2011) exemplaren. SDE 2014 was uitzonderlijk omdat de laatste fase zeer lang op zich liet wachten, en er vele grotere project aanvragen beschikt konden worden, uiteindelijk zelfs 2.973 exemplaren. De terugval in SDE 2015 was opmerkelijk (slechts 48 toekenningen, vanwege toen heftige competitie met zowel windenergie, als de enorme deel-budgetten opslokkende steenkolencentrales met biomassa bijstook). Vanaf SDE 2016 is de lijn weer progressief, van 831 naar een voorlopig record van 4.386 stuks onder SDE 2017 I. Dan een lichte terugval, om in de voorjaars-ronde van SDE 2019 opnieuw een record te vestigen (dat van SDE 2018 II verbrekend), met 4.738 oorspronkelijk toegekende aanvragen.

Uitzonderlijk is, tot slot, de zeer forse terugval naar nog maar 986 originele beschikkingen onder de najaarsronde van SDE 2019, ver onder het niveau van SDE 2016 II tm. SDE 2019 I. Dit is een gevolg van de combinatie "extreme overtekening" met 4 miljard Euro, én weer hevige competitie van andere modaliteiten, die hun project aanvragen goedkoper konden inzetten per fase. Wat resulteerde in wederom een ongekende, massieve uitval, van (kleinere) zonnestroom project aanvragen.

In oranje kolommen worden de met de aantallen toewijzingen gepaard gaande capaciteiten in MWp weergegeven. Nog relatief laag in de eerste SDE (29 MWp SDE 2009) en SDE "+" regelingen (17 tot 134 MWp in SDE 2012 en SDE 2013). Al substantieel in de byzondere SDE 2014 (883 MWp). Tijdelijk terugvallend in de zeer mager resultaat hebbende SDE 2015 (11 MWp). En daarna weer gezwind aanzwellend, via 179 MWp onder SDE 2016 I, tot een voorlopig nieuw record onder SDE 2017 I (2.354 MWp), iets terugvallend naar 1.710 MWp onder SDE 2018 I, en weer aantrekkend naar het nu laatst bekende record, 2.953 MWp oorspronkelijk beschikt onder SDE 2018 II. De daar op volgende regeling, SDE 2019 I, heeft geen record gevestigd, maar de tweede plaats veroverd m.b.t. zonnestroom. Er werd 2.515 MWp beschikt.

Deze neergaande lijn werd verder doorgezet onder de zwaar overtekende SDE 2019 II, waarbij nog maar 1.954 MWp werd toegekend, vanwege de bovengenoemde redenen (zware overtekening, én felle competitie met andersoortige projecten). Hiermee kwam, voorlopig, SDE 2019 II uit, op een niveau tussen dat van de twee SDE 2017 regelingen. Hoe dit echter zal uitpakken bij de uiteindelijke realisaties, moeten we nog zien, want er kan alsnog massieve uitval plaatsvinden. Zoals we juist ook al voor genoemde SDE 2017 deel-rondes hebben gezien.

Gemiddelde capaciteit per beschikking

Uit bovenstaande twee parameters kan een belangrijke afgeleide worden berekend, de gemiddelde grootte per project beschikking in kWp. Ook al, koloms-gewijs, getoond in de voorgaande grafiek. Dit gemiddelde vermogen per beschikking is weergegeven in de groene lijn. Deze start zeer laag rond de 2 kWp onder SDE 2008, neemt iets toe tot 8 kWp onder SDE 2009, zakt weer iets in naar 6 kWp onder SDE 2010, maar begint daarna hard omhoog te gaan. Wat natuurlijk veroorzaakt wordt door het weg slopen van de bovencap per beschikking (aanvankelijk 15 kWp, onder de "grote" deel regelingen van SDE 2009 en SDE 2010 naar 100 kWp). En er vanaf de eerste SDE "+" regeling de facto ongelimiteerd grote projecten aangevraagd konden gaan worden.

De oorspronkelijk toegekende gemiddelde omvang per beschikking nam toe, van 74 kWp onder SDE 2011, naar 297 kWp gemiddeld onder SDE 2014. Zakte toen weer in naar 215 kWp onder SDE 2016 I. Maar werd vervolgens weer een stuk hoger. Aanvankelijk naar 537 kWp (SDE 2017 I), licht inzakkend naar 453 kWp (SDE 2018 I), en wederom fors stijgend naar een tussentijds nieuw record niveau van 669 kWp onder SDE 2018 II. Om weer wat omlaag te gaan naar gemiddeld 531 kWp per beschikking onder SDE 2019 I.

SDE 2019 II, tot slot, zorgde toch weer voor een nogal grote verrassing: het gemiddelde per beschikte aanvraag steeg plotsklaps extreem, naar maar liefst 1.954 MWp, een trendmatige ontwikkeling die op deze logarithmische schaal in visuele zin nog enigszins wordt "gedempt". Vooral grotere project beschikkingen blijken te zijn toegekend. De talloze kleinere ontwikkelaars, waaronder ongetwijfeld veel energiecoöperaties en andersoortige lokale initiatiefnemers als gemeentes en midden- en kleinbedrijven, konden een afwijzing in de digitale brievenbus verwachten. SDE wordt, bij voortzetting van deze trend, derhalve steeds meer een "spel" van de beter gesitueerden en de grote partijen, die kapitaalverschaffers een groot deel van de risico's voor omvangrijke projecten kunnen laten lopen. Een slechte zaak, waar het draagvlak voor (gesubsidieerde) zonnestroom betreft.

Ook voor deze parameter "gemiddelde capaciteit per beschikking" geldt weer: na verwijdering van door ontwikkelaars ingetrokken, of om wat voor reden dan ook niet tot realisaties komende project beschikkingen, is dat globale beeld weer gewijzigd, en zal dat nog steeds kunnen veranderen. Met name voor de recente "grote" regelingen, tussen SDE 2016 I en SDE 2019 II.

* Eigenlijk dient hiervoor te worden gelezen "gemiddelde omvang [in kWp] per SDE aanvraag of beschikking voor PV projecten". Het komt namelijk regelmatig voor, dat een en dezelfde adres locatie, en vaak zelfs hetzelfde dak, 1 of meer beschikkingen (meestal uit verschillende jaar rondes) heeft gekregen. Polder PV houdt dit zeer zorgvuldig bij, en heeft dan ook in zijn omvangrijke (gerealiseerde) projecten sheet, talloze single-site locaties staan waar 1 of meer SDE beschikkingen voor zijn afgegeven, en vaak ook al zijn ingevuld. Het is goed om dit cruciale verschil op het netvlies te krijgen, omdat daardoor verwarring kan ontstaan over opgeleverde aantallen "projecten", en de capaciteit volumes die daarmee gepaard gaan.

Dit is deel 2 van de serie artikelen die naar aanleiding van het verschijnen van de SDE 2019 najaarsronde beschikkingen is / zal worden gepubliceerd op Polder PV. Voor de overige artikelen zie:

(1) SDE 2019 najaarsronde eindelijk bekend. Deel 1. Beschikkingen - 1.954 MWp PV, slechts 42% van aangevraagd volume. Portfolio beschikt totaal bij PV: 13,4 GWp

(2) huidige artikel

Extern:

Kamerbrief uitvoering stimulering hernieuwbare energie en CO2-reductie (25 juni 2020)

Stand van zaken SDE aanvragen (website RVO, de project lijst voor alleen SDE 2019 II verscheen pas 25 juni 2020 op deze pagina)


 
^
TOP

25 juni 2020: SDE 2019 najaarsronde eindelijk bekend. Deel 1. Beschikkingen - 1.954 MWp PV, slechts 42% van aangevraagd volume. Portfolio beschikt totaal bij PV: 13,4 GWp. Dik 7 maanden na de publicatie van het eindresultaat van de voorjaarsronde van SDE "+" 2019 (12 nov. 2019), en zo'n 6 en een halve lange maand wachten na de publicatie van de enorme berg aanvragen voor de najaars-regeling van die ronde (10 december 2019), is dan eindelijk het definitieve resultaat van SDE2019-II, zoals ik die afkort, gisteren verschenen op de altijd bomvol kamerbrieven staande website van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Zoals was te verwachten, gezien de extreme overtekening (met dik 4 miljard Euro boven het budget plafond van toen nog 5 miljard Euro), heeft een ware slachting plaatsgevonden onder alle aanvragen, nadat RVO eindelijk alle project aanvragen heeft door-gevlooid, en met veelvuldig hanteren van een rode pen massale hoeveelheden heeft doen "afvloeien". Het volume voor de aangevraagde PV capaciteit werd gedecimeerd van maar liefst 4.649 MWp tot slechts 1.954 MWp in de beschikkingen (42% van aangevraagd volume). I.t.t. de voorjaarsronde, toen een vijfde van het totale beschikbare budget niet werd besteed, is nu wel het "volle pond" van 5 miljard Euro toegekend. Ondanks de enorme verliezen, blijft zonnestroom daarbij nog steeds kampioen, met bijna 35% van het geclaimde budget. Wat wel opvallend lager lag dan de 65% toekenning binnen de voorjaars-ronde. Wel heeft windenergie in deze ronde weer, i.t.t. SDE 2019-I, de hoogste claim op het gebied van maximaal toegekende energie productie (8,2 PJ/jaar, zonnestroom 6,7 PJ/jaar, niet ver daar achter geothermie en biomassa opties). In dit eerste artikel een analyse van de status van alle beschikkingen, bij alle technologie platforms, met nadruk op zonnestroom.

SDE 2019 II

Hier onder volgt de stand van zaken rond de reeds op 14 november 2019 gesloten SDE 2019 II (najaars-) ronde. Hiervoor was ook, i.t.t. de 6 miljard Euro voor de beide SDE 2018 rondes, net als onder SDE 2019 I, "slechts" 5 miljard Euro budget gereserveerd. In tegenstelling tot de voorjaars-ronde van SDE 2019, waaronder uiteindelijk 1,1 miljard Euro niet werd geclaimd, vanwege én sub-budget plafond aangevraagd volume, en nog eens forse uitval van nogal wat projecten, was, gezien de extreme overtekening van het budget onder SDE 2019 II (9.063 miljoen Euro, ruim 4 miljard Euro overvraagd), de verwachting, dat het budget plafond zelfs na massale uitval van aanvragen overeind zou blijven. Dat blijkt inderdaad zo te zijn, de beschikbare 5 miljard Euro is overeind gebleven ("100 procent beschikt"). Maar dat, uiteraard, wel ten koste van een spectaculaire hoeveelheid uitgevallen projecten en daarmee gepaard gaande geclaimde volumes. In onderstaande tabel heb ik de data voor alle aangevraagde en toegekende opties, zoals gebruikelijk weer koloms-gewijs naast elkaar gezet. Links telkens de data bij de aanvragen, er naast de resultaten bij de oorspronkelijke beschikkingen in de kamerbrief van 24 juni 2020, en daar weer naast de "score" in procent van beschikt t.o.v. aangevraagd.


^^^
Klik op plaatje voor tabel in separaat venster

SDE 2019 II massieve uitval, "komt goed onder SDE 2020 I extra ronde"

SDE 2019 II is "vol beschikt" t.o.v. het beschikbare budget van 5 miljard Euro (groene veldje; de optelling van de afzonderlijke modaliteiten komt iets hoger uit, er onder weergegeven - afrondings-verschil). Omdat er destijds voor 9.063 miljoen Euro was aangevraagd, is er dus voor maar liefst 4 miljard Euro aan aanvragen verloren gegaan (!). Slechts 1.160 projecten kregen een positieve beschikking, maar 15,4% van het totaal aantal oorspronkelijke aanvragen (7.525 stuks). Alle moeite die in die project aanvragen is gestoken, in heel veel gevallen zelfs mét de voor de najaars-ronde van SDE 2019 voor het eerst verplichte, van de netbeheerder te verkrijgen transportindicatie, is - voor deze jaar ronde - verloren gegaan. Wiebes vangt dat handig af, door te suggereren, dat voor de "extra SDE + 2020 voorjaars-ronde" er voor 4,1 miljard Euro is aangevraagd, op een beschikbaar budget van 4 miljard Euro, en dat een groot deel van die uitgevallen projecten alsnog kans zouden hebben gehad voor die nieuwe - ingelaste - ronde, en alsnog een beschikking zullen kunnen (hebben) verzilveren. Maar dat is nog maar afwachten of die verwachting ook uitkomt. Onbekend is hoeveel aanvragers de handdoek in de ring hebben gegooid, en die vervolgens dus niet een nieuwe aanvraag hebben gedaan (ze kunnen immers vervangen zijn door aanvragen van andere ontwikkelaars / indieners).

In ieder geval, is na al die maanden van aanvragen uitvlooien door RVO, een gigantische hoeveelheid project uitval ontstaan. In totaal is een volume van maar liefst 6.365 (!) projecten afgewezen t.o.v. de status bij de (oorspronkelijke) aanvragen (7.525 stuks), een ware massa-slachting. Wiebes claimt dat er van het oorspronkelijke volume aanvragen slechts 117 projecten zijn afgewezen. Ten eerste vanwege inhoudelijke gronden (onjuiste vergunning, dubbele aanvraag, geen toestemming van perceel cq. dak eigenaar), 18 stuks. 65 projecten zouden een onvolledige aanvraag hebben ingediend, en 34 projecten zijn al rap door de aanvragers ingetrokken om onduidelijke redenen. Als je die 117 van de 7.525 oorspronkelijke aanvragen aftrekt, houd je 7.408 overgebleven aanvragen over. Volgens de tabellen zijn er daarvan maar 1.160 toegekend. Dan zijn er in totaal dus maar liefst 6.248 aanvragen wegens budget overschrijding afgewezen, een monumentaal aantal. De grootste slachting vond plaats onder, dat kon je op je klompen aanvoelen, de hyper-populaire optie zonnestroom.

Zonnestroom record houder - wederom, maar zowel bij de plussen als bij de minnen

Zoals ook bij de vorige rondes (SDE 2018 II, SDE 2019 I), is wederom het meeste (beschikte) geld naar PV gegaan, maar in nogal fors gewijzigde verhoudingen dan onder die voorgaande regelingen. Er werden "slechts" 986 zonnestroom projecten goedgekeurd door RVO. Wat 13,6% is van de 7.251 aangevraagde projecten, de laagste score van alle opties, op waterkracht na, die geen van de 2 aangevraagde projecten kreeg toegekend. Ter vergelijking, onder de qua toegekend budget fors óndervraagde SDE 2019 I werden er oorspronkelijk nog 4.738 PV projecten toegekend, onder SDE 2018 II 4.411 exemplaren. Hier is dus een dramatische terugval te zien bij het aantal toekenningen. Dit heeft ook op een ander, verontrustend vlak haar beslag gekregen, zie verder.

Voor zonnestroom is onder SDE 2019 II een budget claim van 1.734 miljoen Euro toegekend (slechts 39% van de aangevraagde ruim 4,4 miljard Euro), wat wel, in absolute zin, nog steeds het hoogste aandeel is van alle opties, 35% (van maximaal toegekend budget van 5 miljard Euro). Maar ook hier is het beduidend minder dan de 2.544 miljoen Euro beschikt onder SDE 2019 I, wat destijds ruim 86% was van het aangevraagde volume voor zonnestroom, en maar liefst 65% (!) van het toen geclaimde budget.

Voor SDE 2019 II gaat deze budget claim voor zonnestroom gepaard met een maximaal beschikte (lees: te subsidiëren) zonnestroom productie van 6,7 petajoule (PJ) per jaar, over een subsidie periode van 15 jaar (excl. "banking year"). Het hoogste beschikte energie volume is deze ronde echter niet voor zonnestroom, maar ditmaal weer voor windenergie, wat maximaal 8,2 PJ/jaar claimt. Onder SDE 2019 I lagen die verhoudingen compleet anders, toen werd nog max. 8,6 PJ/jaar voor zonnestroom, en maar 1,8 PJ/jaar voor windenergie ingeboekt. Geothermie en biomassa warmte & WKK volgen, onder SDE 2019 II, zonnestroom op de voet, met toegekende maximale hoeveelheden voor 5,9 resp. 5,6 PJ/jaar. De rest blijft "klein bier" (0,8 PJ voor biomassa gas, 0,1 PJ voor thermische zonne-energie).

In ieder geval komt de huidige toegewezen maximale hoeveelheid te subsidiëren extra hoeveelheid zonnestroom onder SDE 2019 II, 6,7 PJ, overeen met een productie van ongeveer 1.861 GWh/jaar (ongeveer 53% van de gemiddelde productie die kernsplijter Borssele in de periode 2009-2018 heeft gedraaid, 3.535 GWh/jr). In 1 SDE ronde erbij.

Uitval niet toegekende vermogens

In de laatste kolom vinden we de t.o.v. de oorspronkelijke aanvragen massieve uitval van aangevraagde, doch afgewezen capaciteiten terug. Zonnestroom is hier wederom recordhouder, met 2.695 MW(p) niet toegekend (58% van oorspronkelijk aangevraagd volume). In SDE 2019 I was de uitval voor PV nog "slechts" 406 MWp. Biomassa gas verloor ook aardig wat capaciteit (152 MW niet toegekend, verdeeld over 5 niet beschikte aanvragen), en verder werden voor de overige modaliteiten nog enkele tientallen megawatten per optie afgevoerd richting de virtuele papier-shredder, zie de tabel voor details. In totaal is er voor alle modaliteiten een spectaculair volume van ruim 3 gigawatt aangevraagde capaciteit afgewezen. Onder de voorgaande regeling was dit nog "maar" 570 MW. Wiebes suggereert dat dit onder de inderhaast ingelaste, en van een fors extra budget voorziene "SDE 2020 + ronde I" mogelijk goed gaat komen - al die afwijzingen zouden tot "voldoende" nieuwe aanvragen onder die ronde hebben moeten leiden (verdere invulling Klimaatakkoord onder druk van de Urgenda uitspraak).

Opvallend: toegekende systeemgemiddelde vermogens

Het toegekende vermogen leidt, met het aantal beschikte zonnestroom projecten, tot een gemiddelde capaciteit van maar liefst 1.982 kWp per beschikking (!) onder SDE 2019 II. Dit is maar liefst een factor 3,1 maal de aangevraagde systeemgemiddelde capaciteit, 641 kWp per beschikking. En het is substantieel verschillend van de situatie onder SDE 2019 I, waarbij de toekenningen resulteerden in een gemiddelde van slechts 531 kWp per beschikking, niet wezenlijk verschillend van het gemiddelde bij de aanvragen (564 kWp). Die gemiddelde capaciteit is t.o.v. de voorgaande ronde dus met een factor 3,7 toegenomen bij de toekenningen ! Genoemde 1.982 kWp is zelfs voor de huidige Nederlandse begrippen "een zeer fors (gemiddeld) PV project", goed voor, grofweg, zo'n 6.200 PV modules van 320 Wp per stuk. Daar kun je een aardig afvalbergje, klaverblad perceel, slecht productieve akker, danwel een groot plat dak van een distributiecentrum mee vullen. Als je als ontwikkelaar het geld er voor hebt, of bij elkaar kunt sprokkelen.

Onder de voorgaande ronde was de gemiddelde capaciteit per beschikking afgenomen t.o.v. dat van SDE 2018 II, toen nog 669 kWp gemiddeld per beschikking overbleef bij de toekenningen. Maar SDE 2019 II laat dus een beduidend ander, nogal heftig beeld zien: vooral de gróte project beschikkingen zijn toegekend, en een massieve hoeveelheid kleinere project beschikkingen zijn afgevoerd. Dit is slecht voor het draagvlak voor gesubsidieerde zonnestroom projecten, omdat er al forse weerstand is tegen, onder anderen grondgebonden zonneparken. Maar het betekent onherroepelijk ook, dat vooral de grote rooftop projecten zijn toegekend, en een enorme hoeveelheid kleine projecten op daken, die bijvoorbeeld voor lokale energie coöperaties nog "haalbaar" zouden zijn, beslist niet. Ook dit zal de verhoudingen in het maatschappelijke veld verder op scherp zetten. Er gaat te veel geld naar, vooral, "de grote projecten". En dus ook: naar de grote ontwikkelaars (al dan niet van nationale of internationale huize), de banken, investeerders, en andere grote financierende partijen.

Met de huidige 1.954 MWp aan toegekende extra zonnestroom projecten, komt het totaal aan toekenningen in de SDE historie, in samenhang met de nog overgebleven "stapel" van 11.456 MWp (derde grafiek in SDE update van 6 april 2020), op maar liefst 13.410 MWp. Een wederom blijvend spectaculair volume van bijna 13,5 GWp! Ook al zal daar beslist nog wel het een en ander van gaan afvallen (mede gezien de zeer grote, structurele problemen rond de netcapaciteit in steeds meer gebieden, waardoor mogelijk alsnog beschikkingen niet op tijd kunnen worden ingevuld), er blijft, met deze recente toevoegingen onder SDE 2019 II, enorm veel capaciteit over om in te vullen. Het is bijna het dubbele volume van de al in vele jaren geaccumuleerde eindejaars-capaciteit in 2019, volgens de meest recente cijfers van het CBS voor ons land (6.874 MWp).

Bij CertiQ stond eind mei 2020 3.541 MWp aan realisaties van gecertificeerde PV capaciteit in de boeken, het overgrote merendeel daarvan is SDE beschikt volume. Dat is nog maar ruim 26% van de nu bekende accumulatie van (overgebleven) toegekende capaciteit onder alle SDE - SDE "+" regimes, tot en met SDE 2019 II.

Totale impact

Het totaal aantal overgebleven toegekende projecten (incl. PV) is voor deze ronde slechts 1.160 exemplaren, een "schim" van de 4.864 toekenningen onder SDE 2019 I (en van de 4.618 exemplaren die oorspronkelijk onder SDE 2018 II werden beschikt). De te subsidiëren maximale jaarlijkse productie is 27,2 PJ/jr. Wat inmiddels wel fors méér is dan de 17,6 PJ/jr onder SDE 2019 I, maar die regeling had dan ook slechts 3.905 miljoen Euro aan beschikkingen opgeleverd, wat 78% is van de beschikte 5 miljard Euro onder SDE 2019 II. Wel opvallend is, dat onder SDE 2018 II, met een budget van een destijds "vol beschikte" 6 miljard Euro, er oorspronkelijk voor max. 26,3 PJ/jr aan duurzame energie productie was vergeven. Ergo: met 1 miljard Euro mínder maximaal te besteden geld, zou er in theorie zo'n 3,5% méér energie opwek gesubsidieerd kunnen gaan worden dan de vergelijkbare vorige najaars-ronde. Dat is natuurlijk ook uitdrukkelijk altijd de bedoeling geweest, maximale "kosten-efficiëntie", waarbij er steeds meer energieproductie voor steeds minder subsidie per energie eenheid mag worden vergeven, een van de kern-doelen van de hele SDE "kermis". In de huidige ronde lijkt dat echter ten koste te zijn gegaan van talloze, met name kleinere PV projecten, die de subsidies voor een substantieel deel aan hun neus voorbij hebben zien gaan, gezien de monumentale uitval voor deze populaire modaliteit. Waarschijnlijk omdat ze te hoog hebben ingezet, en dus "te duur" t.o.v. de concurrentie zijn uitgepakt.

Nota bene: De werkelijke invulling van de uit te geven subsidie volumes hangt vervolgens weer van diverse parameters af, zoals marktprijzen op o.a. de stroombeurs. Ook zal er onherroepelijk weer veel uitval komen van nu toegekende projecten, Wiebes verwacht daarom ook minder uitgaven dan er nu maximaal zijn ingeboekt (genoemde 5 miljard Euro). Maar de "kosten reductie" t.o.v. de (maximaal) te produceren energie volumes lijkt onder de huidige "afgesloten" SDE 2019 II ronde weer goed door te zetten. Wel, met "a price to pay", het maatschappelijke draagvlak. Burgers betalen immers dit jaar de helft van de SDE heffingen, maar zien er bijna niets van terug bij eventuele participaties, omdat juist de kleinere projecten steeds minder kansen krijgen. Alleen participeren in "grote" projecten kan dan nog wat financiële verdiensten opleveren, het grote geld gaat naar de ontwikkelaars en/of de opkopers van dergelijke projecten (er zijn al de nodige grote projecten, op land, en rooftops, in handen van krachtige Nederlandse partijen, of in buitenlandse handen). Dat kun je slechts met een hersenkronkel "lokale participatie" noemen, iets waar de RES regio overleggen hoog op inzetten.

Thermische zonne-energie

Thermische zonne-energie is in deze SDE ronde een grotere rol toebedeeld dan voorheen, maar moet nog steeds het succes krijgen wat velen er van hopen. Er waren ditmaal 84 aanvragen, maar er zijn er maar 19 van toegekend. Wel gaat het daarbij om relatief "grote" projecten, waarbij ruim de helft van het aangevraagde volume is toegekend (46 MWth van 83 MWth aangevraagd). Er is 32 miljoen Euro toegekend voor die 19 aanvragen, de maximaal toegekende energie productie is klein (0,1 PJ, 0,4% van totaal toegekend voor alle modaliteiten, en slechts 1,5% t.o.v. de 6,7 PJ toegekend voor Grote Zus, zonnestroom).

In de vorige - SDE 2019 I - ronde werden 29 kleinere thermische zonne-energie projecten (totaal capaciteit 14 MWth) toegekend. Het gemiddelde vermogen per beschikking is ook hier zeer sterk toegenomen, van 483 kWth onder SDE 2019 I, naar maar liefst ruim 2,4 MWth onder SDE 2019 II, een ver-vijfvoudiging van de beschikte (gemiddelde) capaciteit. Ook daaruit blijkt duidelijk een forse schaalvergroting, om nog kans te maken op "een" toekenning. Alleen kapitaalkrachtige partijen zullen dit soort projecten kunnen trekken. Kleine ondernemers beslist niet. En dat is zeer jammer, en slecht voor het draagvlak.


^^^

1 van de vier grafische bijlagen bij de kamerbrief over, onder anderen, de SDE 2019 II, met het "verplichtingen budget" per jaar ronde, vanaf SDE "+" 2011 tm. de najaars-ronde van 2019. Zon domineert de laatste jaren de budget claims in zeer sterke mate (oranje vakjes), maar is qua budget claim onder SDE 2019-II weer sterk teruggevallen. Een sterke toename is nu te bespeuren bij, met name, windenergie (blauwe vakjes), en, opvallend, geothermie (paarse vakjes). Ook de complexe, veel deel opties omvattende component biomassa (waar onder houtpellets e.a. "groen" verstokende, maatschappelijk flink ter discussie staande kleinere centrales), is t.o.v. de voorgaande twee SDE regelingen weer wat toegenomen bij de beschikte budgetten (groene vakjes). NB: budgetten zijn maxima. Uitgegeven wordt er vrijwel altijd veel minder, afhankelijk van de marktomstandigheden, en van de (soms massieve) uitval van project beschikkingen.

SDE 2020 I (laatste SDE "+" ronde, extra)

De sedert SDE 2019 II verplichte transportindicatie heeft volgens Wiebes bij de netbeheerders voor 92% van de aangevraagde projecten voor SDE 2020 I tot succes geleid. Dat zijn er 9.064 in totaal, maar bekend was al, dat deze zeker niet allemaal leiden tot een daadwerkelijke aanvraag. Er zijn maar 7.562 aanvragen binnengekomen bij RVO, en ook daarvan zal een nu nog onbekend aantal projecten om wat voor reden dan ook gaan afvallen.

Overige onderwerpen incl. SDE 2020 "++"

De kamerbrief bevat nog het nodige aan andere onderwerpen, wat een afspiegeling is van de hectische tijden rond de volop in gang gezette energietransitie, die nu ook nog gehinderd wordt door de effecten van de corona pandemie, en de maatregelen die daar uit zijn voortgevloeid.

Wat dat laatste betreft, zijn nu vooral de stokkende procedures bij de aanvragen voor omgevingsvergunningen bij gemeentes een bottleneck. Dat is een van de redenen, dat Wiebes de eerste SDE "++" ronde, waarbij CO2 reductie (en niet meer duurzame energie productie) nu maatvoerend zal zijn, 8 weken heeft uitgesteld. Deze totaal nieuwe SDE subsidie aanpak gaat nu op 24 november 2020 pas in, waarna vier fasen worden afgewikkeld, die piketpalen hebben van 70, 85, 180, resp. 300 Euro per ton te realiseren CO2 reductie. De laatste fase gaat 14 december dit jaar in, de regeling moet dan op 17 december in de namiddag afgerond worden voor de indiening van aanvragen.

Wiebes stelt trouwens dat ook het werk aan het verkrijgen van goedkeuring van de nieuwe regeling bij de Europese Commissie (wegens potentiële onterechte Staats-steun) bijgedragen heeft aan het uitstellen van de startdatum voor de SDE "++". In augustus verwacht Wiebes de, vanwege alle complexiteiten rond deze totaal nieuwe aanpak, ongetwijfeld omvangrijke en ingewikkelde zoveelste regeling in de Staatcourant te gaan publiceren.

Wiebes gaat verder ook nog in op de volgende onderwerpen, waarvoor ik u naar de Kamerbrief verwijs (link onderaan):

  • Effecten van negatieve elektriciteitsprijzen op de (Europese) markt
  • Verbreding van de zogenaamde HER subsidie module (energie innovatie subsidies, "het voorportaal van de SDE++")
  • EIA en "free-rider"-gedrag (zie ook rapport op Rijksoverheid site)
  • Opslag Duurzame Energie (onderzoeken gestart naar forse stijgingen van SDE heffingen - "ODE" - bij bedrijfsleven, ter voorbereiding van vaststelling van tarieven voor de "ODE" in 2021, ultimo met Prinsjesdag vast te stellen).

Dit is deel 1 in de serie artikelen die naar aanleiding van het verschijnen van de SDE 2019 najaars-ronde beschikkingen zal worden gepubliceerd op Polder PV. In afwachting van gegevens te publiceren door RVO (in tegenstelling tot de claim van Wiebes, in de kamerbrief van 24 juni 2020, in de ochtend van 25 juni nog niét op de website van het agentschap gepubliceerd), zal, als vanouds, nader op de cijfers worden ingegaan door Polder PV analist Segaar.

Dit is deel 1 in de serie artikelen die naar aanleiding van het verschijnen van de SDE 2019 najaars-ronde beschikkingen is / zal worden gepubliceerd op Polder PV.

(1) huidige artikel

Extern:

Kamerbrief uitvoering stimulering hernieuwbare energie en CO2-reductie (kamerbrief ondertekend door Eric Wiebes, van 24 juni 2020. bevat 4 grafische bijlagen over de status van alle MEP, SDE, SDE "+", en wind-tenders, tm. SDE 2019 II).

Stand van zaken SDE aanvragen (website RVO, nog geen update aanwezig bij publicatie van dit artikel op Polder PV)


 
^
TOP

22 juni 2020: CBS update (4). Oude en nieuwe indelingen voor RES data; status grondgebonden zonneparken, Polder PV versus "officiële nationale statistiek". In de voorgaande 3 analyses n.a.v. nieuwe zonnestroom data van het CBS ben ik achtereenvolgens ingegaan op de algemene landelijke trends en primaire segmentatie, segmentaties voor capaciteit bij bedrijven en woningen per gemeente, en de segmentatie van de berekende productie van zonnestroom per RES regio. In een van de onderliggende publieke cijfer overzichten werd inzage gegeven in een verdeling van de capaciteit over de RES regio, in grote lijn becommentarieerd in de derde analyse. Interessant is, dat in dat detail overzicht ook een uitsplitsing is gemaakt naar de capaciteit in 3 sub-categorieën: de nieuw door CBS samengestelde categorie rooftop installaties tm. 15 kWp, ditto projecten groter dan 15 kWp, én projecten "op veld". In dit artikel ga ik in eerste instantie in op de wijzigingen in de (oude) hoofd-segmentatie voor het jaar 2018, en de eerste officiële cijfers voor 2019. Vervolgens behandel ik de segmentaties van de cijfers volgens de nieuwe indeling. Ik besluit deze analyse met een vergelijking tussen de status cijfers van het CBS en Polder PV over de grondgebonden zonneparken tm. 2019. Zoals vanouds, heeft Polder PV substantieel meer capaciteit aan veld-installaties staan in zijn overzichten, dan het CBS in haar laatste update. Het nationale data instituut loopt zeker op dat belangrijke punt structureel achter.

(1) Hoofd-segmentaties "oude" indeling van zonnestroomprojecten bij het CBS


^^^
Klik op plaatje voor uitvergroting (verschijnt in apart tab-blad)

NB I: deel-optellingen komen niet noodzakelijkerwijs uit op door CBS opgegeven eind totalen, dit betreft afrondingsverschillen.
NB II: De "444 MWp opgestelde capaciteit in de vorm van zonneparken" volgens het oude cijfer van het CBS voor EOY 2018, vinden we ook terug op pagina 15 van de Kamerbrief van het Ministerie voor Binnenlandse Zaken en Koninksrijksrelaties over het "NOVI", genaamd "Regie en keuzes in het nationaal omgevingsbeleid (NOVI)", gedateerd 23 april 2020. Ook die van Rijkswege verstrekte gegevens zijn uiteraard, gezien de hier onder weergegeven bevindingen van Polder PV, alweer sterk verouderd.

Deze tabel is een uitbreiding van het exemplaar getoond in het artikel van 26 april 2019, met toen nog voorlopige resultaten voor kalenderjaar 2018, en "definitieve" voor 2017. De meest recente data volgens de oude indeling (rooftop [RT] woningen, rooftop niet-woningen, grondgebonden [GG] installaties, en de totalen voor bedrijven en "alles") worden in het huidige overzicht getoond. Waarbij onder de oude data voor 2018 ("2018 o") ter vergelijking de meest recente zijn geplaatst ("2018 n"), en de eerste resultaten voor 2019 volgens deze indeling zijn toegevoegd ("2019* n"). De nieuw toegevoegde jaarvolumes in het tweede tabelletje, zijn voor 2018 uiteraard berekend volgens de nieuwste data voor dat jaar.

Eindejaars-accumulatie woningen vs. bedrijven

Het eindejaars-volume (EOY) voor woningen in 2018 is licht opwaarts aangepast, van 2.307 naar 2.329 MWp, een toename van bijna 1%. Voor de categorie bedrijven "totaal" is de aanpassing, van 2.106 naar 2.281 een stuk substantiëler geweest, 8,3%, wat alles te maken heeft met de - soms extreme - vertragingen bij het zetten van "officiële ja-vinkjes" bij RVO, die vele maanden op zich kunnen laten wachten. CBS benoemt dit nogal eufemistisch "Bekend is dat registraties naijlen waardoor voorlopige cijfers het opgesteld vermogen in dat jaar kunnen onderschatten". Nieuwe deel-cijfers voor "rooftop projecten niet woningen" en "GG zonneparken" (kolommen B en C) zijn niet gegeven, en de vraag is of die nog zullen komen. CBS heeft namelijk updates voor de basis tabel met deze specifieke indeling per direct gestaakt, omdat ze, vanwege het "RES-gebeuren", zijn overgestapt op een andere indeling (zie verder).

De totale toevoeging aan de (oude) cijfers van 2018, 4.413 MWp, was 196 MWp, een verschil van 4,4%, waarmee het nieuwe EOY cijfer voor dat jaar op 4.609 MWp is gekomen.

De eerste cijfers voor 2019 zijn onderaan het 1e deel-tabelletje toegevoegd (deze zullen beslist nog gaan wijzigen), accumulatie 3.237 MWp voor PV op woning daken, resp. 3.637 MWp op / bij / van bedrijven, optellend tot een totaal van, voorlopig, 6.874 MWp.

De aandelen van de eindejaars-volumes op het totaal, zijn opvallend gewijzigd. Was het aandeel voor woningen nog 57,8% in 2017, daalde dit naar 50,5% in 2018, en zakte het verder naar slechts 47,1%, met de nu bekende voorlopige cijfers voor 2019. Het aandeel van PV systemen op / bij / van bedrijven nam juist toe, van 42,2% in 2017, via 49,5% in 2018, naar, voorlopig, 52,9% in 2019. Dit is een belangrijke piketpaal in de geschiedenis van het zeer lang zwaar op (bijna uitsluitend) residentiële zonnestroom leunende Nederland. Vanaf 2019 gaat het projectvolume wat niet op woningen ligt "the lead" nemen in ons land, want, ook al blijft de residentiële markt groot, ze zal deze achterstand, ondanks een forse groei in 2019, niet meer kunnen goedmaken, en zelfs steeds meer terrein verliezen.

Jaargroei woningen vs. bedrijven

In het 2e sub-tabelletje heb ik uit de hierboven gegeven EOY volumes voor 2018 en 2019 de nieuw toegevoegde jaarvolumes berekend. Voor alleen PV systemen op woningen, was de toename in 2018 (definitief) 647 MWp, wat zelfs nog sterk verder is gegroeid naar 908 MWp nieuw, met de voorlopige nu bekende cijfers voor 2019. Wat een toename van het jaarlijkse groei volume inhoudt, van ruim 40% (!). Het PV volume op / bij / van bedrijven is ook flink toegenomen, van 1.052 MWp in 2018, tot al 1.356 MWp in 2019. Een stijging van de jaarlijkse aanwas, van 29%. Omdat het daar al om een veel hoger uitgangs-volume ging, dan voor residentiële capaciteit, is het niet vreemd, dat dat relatieve groei percentage lager ligt, maar het houdt wel een fors hoger absoluut volume in.

De aandelen van de twee hoofd segmenten t.o.v. de nieuwe totale jaarvolumes zijn voor installaties op woningen in 2019 ruim 40% (was in 2018 bij de jaargroei ruim 38%), en voor de bedrijfsmatige projecten bijna 60% in 2019 (was in 2018 62%). Ook hiervoor geldt: in ieder geval kunnen de cijfers voor 2019 nog veranderen.


(2) Nieuwe indeling "geschikt gemaakt voor RES regio"

Zoals reeds eerder gemeld, is het CBS bij haar segmentaties weer op een andere systematiek overgestapt, om basis data te kunnen aanleveren voor de plannen voor, en monitoring van de 30 RES regio in ons land. Daarvoor is niet meer belangrijk het onderscheid woningen / bedrijven, maar is de verkozen piketpaal "projecten tot en met 15 kWp" resp. "groter dan 15 kWp" de leidende onderscheidende factor. Omdat voor de veelbesproken "35 TWh duurzame energie op land doelstelling voor 2030" alleen de installaties meetellen groter dan 15 kWp. Hiertoe heeft het CBS een nieuwe tabel opgetuigd, zowel voor 2018 als voor 2019, met segmentatie naar RES regio, provincie, én, voor zonnestroom, in 2 categorieën: PV installaties <= 15 kWp ("klein vermogen"), resp. PV projecten groter dan 15 kWp ("groot vermogen"), welke weer zijn onderverdeeld in installaties "op dak", resp. "op veld" (ergo: grondgebonden projecten).

In die tabellen vinden we ook hier verder niet besproken data terug voor wind op land, kleinschalige waterkracht, en biomassa, die ook bijdragen aan genoemde 35 TWh doelstelling. De tabellen zijn verder gesplitst in een deel voor de opgestelde capaciteit, en een deel met de daar uit berekende producties voor de diverse "typen opwek installaties" hierboven genoemd. CBS stelt, dat deze nieuwe tabellen tot stand zijn gekomen in het kader van Vivet (verbetering van de informatievoorziening van de energietransitie). Een onderzoeks-rapportage met verbeterings-voorstellen is opgesteld door het CBS, het Kadaster, het Planbureau voor de Leefomgeven (PBL), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), en Rijkswaterstaat, op verzoek van, en gefinancierd door de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat, MinEZK, en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, MinBiZa. Dat rapport is ook te vinden op de website van het CBS.


^^^
Klik op plaatje voor uitvergroting (verschijnt in apart tab-blad)

NB: deel-optellingen komen niet noodzakelijkerwijs uit op door CBS opgegeven eind totalen, dit betreft afrondingsverschillen.

Deze nieuwe tabel bevat gegevens voor de kalenderjaren 2018 en 2019. Omdat ze nu het "15 kWp criterium" als uitgangpunt hebben, zijn ze niet meer 1 op 1 vergelijkbaar met de oude opzet (paragraaf 1), die van het verschil tussen "woningen" en "bedrijven" (volgens opvattingen bij het CBS) is uitgegaan.

Dit zien we terug, als we de volumes voor 2018 van de oude en de nieuwe opzet, bij de categorie "woningen" (oude opzet), en "RT klein vermogen tm. 15 kWp" (rooftop installaties in nieuwe opzet) met elkaar vergelijken. Die volumes zijn 2.329 MWp (gereviseerd cijfer, paragraaf 1), respectievelijk 2.480 MWp (RT "klein vermogen" nieuwe opzet), een verschil van 151 MWp, wat 6,5% meer is dan het volume "op woningen". Er zijn dus nogal wat installaties, niet zijnde "woningen" volgens de definitie van het CBS, die binnen die "kleine rooftop categorie" vallen. Dat kan van alles zijn, zoals kleinere installaties op gemeentelijke gebouwen, scholen, op daken van instellingen, MKB met kleinverbruik aansluiting, kerken, en dergelijke. Al dat "spul" valt buiten de reikwijdte van (de 35 TWh opdracht voor) de RES-en.

In 2019 is het verschil tussen PV volume "kleine rooftops" (3.421 MWp) en "op woningen" (3.237 MWp) in absolute zin groter dan in 2018 (184 MWp), maar in relatief opzicht iets kleiner (5,7% meer t.o.v. het - voorlopig vastgestelde - volume op woningen). Gaarne hierbij beseffen, dat cijfers voor 2019 nog kunnen wijzigen in latere overzichten van het CBS.

Drie deelsegmenten inclusief grondgebonden zonneparken

Gaan we naar de vergelijking tussen 2018 ("definitief") resp. 2019* ("voorlopig") in de nieuwe indeling kijken, onderscheiden we nu 3 deel categorieën waarvoor cijfers beschikbaar zijn.

Het opgestelde vermogen van de kleine rooftop projecten tm. 15 kWp nam toe van 2.480 MWp (2018) tot 3.421 MWp (2019), een groei van 941 MWp (sub-tabel onderaan: jaargroei), wat 38% groei is t.o.v. het EOY volume van 2018. Het EOY volume van de grote rooftop projecten >15 kWp nam toe van 1.596 MWp (EOY 2018) naar 2.559 MWp (EOY 2019), een aanwas van 963 MWp, en daarbij een fors hoger groei percentage tonend t.o.v. EOY 2019, ruim 60%. De grondgebonden grotere projecten >15 kWp lieten EOY 2018 > 2019 een groei zien van 533 naar 894 MWp, een toename van 361 MWp. Althans, volgens het CBS (zie ook verderop, paragraaf 3 !). Daarbij werd van deze drie onderscheiden categorieën de hoogste groei getoond: 68% t.o.v. het eindejaars-volume van 2018 !

Kijken we naar de relatieve aandelen van de geaccumuleerde volumes bij de verschillende categorieën t.o.v. de totale jaar accumulaties, zien we het volgende:

  • Aandeel van het volume aan "klein vermogen" nam in de jaren 2018 - 2019 af, van 53,8 naar 49,8% t.o.v. het totale eindejaars-volume in die jaren.
  • Volume "groot vermogen op daken" nam in dezelfde periode t.o.v. het totaal toe, van 34,6 naar 37,2%.
  • Volume "groot vermogen op veld" nam t.o.v. het totaal volume EOY 2018 verder toe van 11,6 naar 13,0%
  • Uit bovenstaande volgt, dat het "volume groot vermogen" installaties, per stuk groter dan 15 kWp, al net aan meer dan de helft van het totale volume is geworden, eind 2019. Dat was in 2018 nog 46,2%.

Als we nu, zie het laatste sub-tabelletje onderaan bovenstaand overzicht, ons concentreren op de nieuwe jaarvolumes in kalenderjaar 2019 (voorlopige cijfers), zien we bij de nieuw toegevoegde hoeveelheden een nog sterkere verschuiving richting de grotere projecten, met name naar de grondgebonden projecten. Het relatieve aandeel van de jaar toenames in de onderscheiden catergorieën, is t.o.v. de totale aanwas in dat jaar, 2.265 MWp, als volgt. 41,5% van die jaargroei valt toe aan de "kleine installaties maximaal 15 kWp per stuk". Al iets meer volume, 42,5% valt in de categorie grote dakprojecten, per stuk >15 kWp. En al 15,9% van het nieuwe jaar volume is in de grondgebonden projecten (groter dan 15 kWp) gaan zitten, volgens het CBS. In totaal zit bij de jaarlijkse aanwas in 2019 dus al 58,5% van de nieuwe capaciteit in de projecten, per stuk groter dan 15 kWp.


(3) Vergelijking volumes grondgebonden projecten CBS versus actuele stand van zaken bij Polder PV

In paragraaf 2 ben ik ingegaan op de nieuwe indeling van de capaciteit volumes bij het CBS. Daar komt, meer specifiek, reeds het opvallend verder toegenomen volume van de grondgebonden projecten (groter dan 15 kWp) boven tafel.

Het CBS heeft naar aanleiding van hun nieuwe cijfers zoals te doen gebruikelijk een toelichting gepubliceerd, die ik u hier niet wil onthouden m.b.t. dit steeds belangrijker wordende onderwerp:

"De indicatie van een veldopstelling van zonnestroominstallaties is gebaseerd op de SDE, en voor de grotere installaties vanaf 1 megawatt op aanvullende controles. Het is mogelijk dat er meer veldopstellingen zijn, maar die zijn nog niet op basis van de gebruikte databronnen aan te wijzen. Deze vallen nu nog onder 'dak'-opstelling."

Deze voor velen wellicht opmerkelijke toelichting is voor Polder PV in ieder geval beslist niet opmerkelijk. Ik houd namelijk als een van de weinigen in Nederland zeer nauwgezet bij wat er in ons land daadwerkelijk aan grondgebonden installaties wordt opgeleverd, zoek daarbij zoveel mogelijk project details na, en/of vraag ze op (als die verzoeken tenminste worden beantwoord), weet van alle mij bekende gerealiseerde projecten de exacte lokatie, heb van de meeste projecten fotomateriaal tot mijn beschikking, reken ik diverse gevonden data opgaves door op correctheid (bijvoorbeeld: de verondersteld gemiddelde module capaciteit), en ga ik bij de samenstelling van mijn overzichten niet over een nacht ijs. Regelmatig stel ik project volumes bij op basis van de laatste inzichten, details, publicaties (vaak uit obscure, soms niet publieke bronnen), beschikbaar (gekomen) foto materiaal, etcetera. Ik meen, derhalve, dat ik een van de beste overzichten van alle veldopstellingen in Nederland heb. Dit, natuurlijk exclusief de netbeheerders, die dergelijke informatie ook, naar we mogen aannemen, "zouden moeten hebben", maar die publiceren geen (diepe) segmentaties over de aangesloten installaties in hun desbetreffende netgebieden (hoogstens op provinciaal niveau, bij Liander ook een enkele stad als Amsterdam).

Het mag u gezien bovenstaande dan wellicht ook niet verwonderen, dat ik al veel meer gerealiseerd volume in grondgebonden opstellingen heb staan, dan het CBS (tot nog toe) heeft "gevonden". Ik heb daarover eerder al het nodige gepubliceerd, in artikelen van 7 januari 2019 (vergelijking realisatie data zonneparken RVO versus Polder PV), een update daarvan op 19 februari 2019, paragraaf 3 van artikel over deze materie op 21 november 2019, en, tot slot, vergelijkingen met de cijfers van zowel RVO als van het CBS, in mijn artikel met het bericht over het bereiken van de eerste GWp aan opgeleverde zonnestroom capaciteit in de vorm van grondgebonden opstellingen in ons land (dd. 9 december 2019).

Een deel van de verschillen is terug te voeren op ronduit foute project kwalificaties door RVO, en van zeer late registraties bij het agentschap van "opleveringen", van projecten die al lang geleden (soms vele maanden eerder) daadwerkelijk aan het net zijn gekoppeld. Een ander deel is niet bekend om onduidelijke redenen. Misschien, omdat de nieuwe wijze van het maken van syntheses van verschillende databestanden door het CBS onvoorziene data bugs opleveren, en/of dat bij dergelijke data extracties zaken verkeerd lopen, waardoor veel volume in - fysiek aantoonbaar opgeleverde - grondgebonden projecten onterecht niet als zodanig wordt geïdentificeerd. Feit is, dat de kennis over talloze specifieke (grondgebonden) projecten waarschijnlijk niet aanwezig is bij het data instituut. Wat ook weer niet vreemd is, omdat ze dagelijks vele complexe cijfer reeksen (moeten) publiceren, en er daar helemaal geen tijd noch budget is om dit thema scherp op het netvlies te krijgen.

Actueel overzicht status veld-opstellingen CBS versus Polder PV

Hier onder geef ik in het meest actuele overzicht, de verschillen in de laatst bekende bevindingen van het Centraal Bureau voor de Statistiek, en mijn meest recente cijfers over de realisaties van grondgebonden zonneparken, waar het de opgeleverde capaciteiten betreft, in de kalenderjaren 2017 tm. 2019.

Uit deze grafiek blijkt overduidelijk, dat Polder PV voor de afgelopen drie jaar (nog exclusief het nog lang niet voltooide, derhalve ook niet getoonde jaar 2020) voor uitsluitend klassieke grondgebonden zonneparken in ons land al veel meer opgeleverde capaciteit heeft staan, dan het CBS - tot nog toe - voor mogelijk heeft gehouden. Hierbij ook nog de kanttekening, dat Polder PV alle capaciteit bij byzondere projecten als drijvende zonneparken, installaties op geluidswallen, trackers, carports en dergelijke "vrij staande constructies niet simpel onder te brengen onder de categorie 'rooftop'", nog buiten deze analyse heeft gehouden. Die projecten zitten dus niet verwerkt in deze grafiek. De status van die projecten, waar inmiddels ook al "de nodige megawatten" in zijn verzameld, is bij het CBS nog volstrekt onduidelijk. Het zou kunnen zijn, dat ze die (deels) ondergebracht zouden kunnen hebben binnen hun categorie "grote projecten >15 kWp op veld". Dit moet uiteraard nog uitgezocht worden, maar er is bij het CBS überhaupt geen informatie over die specifieke byzondere categorieën te vinden. Eerder is het bij Polder PV al zeer duidelijk geworden, dat een belangrijk wordende categorie, drijvende zonneparken, bij RVO zeer slecht zijn aangeduid, waardoor veel volume onterecht onder de, uiteraard, totaal niet van toepassing zijnde "vuilnisbak categorie rooftop" blijkt te zijn ondergebracht ...

Dit alles laat onverlet, als we uitgaan van "alles van CBS in het laatste overzicht onder de kolom 'op veld' is klassiek grondgebonden", en we concentreren ons daar op (oranje kolommen in de grafiek), zien we een forse toename van 98 MWp eind 2017, via 533 MWp, eind 2018, tot, voorlopig, 894 MWp, eind 2019. Met daarbij de blijvende aantekening, dat met name het laatste jaar later nog zou kunnen worden bijgesteld (waarschijnlijk opwaarts).

Kijken we naar de volumes die Polder PV als "netgekoppeld opgeleverd tot en met het aangegeven jaar" tot nog toe, met heel veel project details waar die beschikbaar zijn, heeft geregistreerd (blauwe kolommen), is in alle drie de jaren dat volume beduidend, tot zelfs substantieel groter, dan wat het CBS tot nog toe heeft gevonden. Tot en met 2017 vond Polder PV al 135 MWp aan netgekoppelde PV capaciteit in klassiek grondgebonden PV projecten in ons land, 38% meer dan de 98 MWp die het CBS rapporteerde. Eind 2018 had ondergetekende al 579 MWp staan, wat - nog steeds, ondanks opwaarts aangepaste cijfers van het CBS - 9% meer is dan het volume in hun laatste rapportage. En eind 2019 heeft Polder PV weer substantieel meer volume staan dan de huidige, recentste cijfers van het nationale statistiek instituut: 1.091 MWp, maar liefst 22% meer volume, dan het CBS "kent", tot en met dat jaar (894 MWp).

Jaarlijkse toenames grondgebonden capaciteit

Bij de jaarvolumes, zijn de toevoegingen resulterend uit de CBS cijfers 435 MWp toename in 2018, resp. 361 MWp in 2019. Volgens de cijfers van Polder PV, zijn de bij benadering "betere" jaargroei toenames 444 MWp, resp. 512 MWp. Vooral de jaargroei in 2019 is dus veel groter dan wat het CBS tot nog toe meldt, en sowieso groter dan het jaarvolume in 2018. Wat ongetwijfeld grotendeels heeft te maken met de fors achter de realiteit aan lopende registraties van diverse grote projecten bij RVO.

Zouden we momenteel uitgaan van een groot volume, wat het CBS (nog) niet als "grondgebonden project" herkent, maar wat wel in de eindejaars-accumulatie van 6.874 MWp zou zitten, zou dit betekenen, dat met Polder PV's "1.091 MWp EOY 2019 in grondgebonden zonneparken" al een aandeel van bijna 16% zou kunnen zijn bereikt in ons land, in plaats van de 13% waar de huidige CBS data op wijzen (tabel paragraaf 2). Zouden we echter veronderstellen, dat (een deel van) die capaciteit nog niet eens in genoemd eindejaars-volume zou zitten bij het CBS, moeten we er van uitgaan, dat het totale EOY accumulatie cijfer nog (flink) opwaarts bijgesteld zou moeten gaan worden. Wat dan het aandeel van grondgebonden projecten weer zou verkleinen t.o.v. het totaal volume. Later zal moeten blijken, wat de eind totalen voor zowel alle capaciteit, als die voor de veld-installaties zullen zijn geworden in 2019. En kan er een "harder" oordeel over het werkelijke aandeel van deze grondgebonden installaties op de totale volumes worden geveld.

Kristalhelder is echter, dat vrijwel iedereen de impact van het volume aan grondgebonden PV projecten structureel, en stelselmatig onderschat: er staat al veel meer vermogen, en de productie uit die installaties, die het CBS in hetzelfde overzicht afschat op 658 GWh in 2019, is vermoedelijk "een schromelijke onderschatting van de realiteit". De invulling van de RES-doelen, zou derhalve sneller gaan, dan nu "officieel gedacht", op het vlak van de gewilde "productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen op land" (invulling van een zeer belangrijk punt van het Klimaatakkoord).

CBS heeft in een apart blok in de meest recente publicatie voor de afzonderlijke RES regio, vanuit de gereconstrueerde capaciteiten, ook de daardoor vermeend opgewekte energie hoeveelheden in 2018 en 2019 gepubliceerd. Voor de door CBS berekende zonnestroom producties per RES regio, zie het 3e artikel in dit vier-luik.


Tot slot

De geconstateerde verschillen in PV capaciteit in veld-opstellingen tussen de beschikbare data van het CBS en van Polder PV mogen beslist opmerkelijk worden genoemd, want je zou er toch op moeten vertrouwen dat in ieder geval in de Nationale Statistiek databanken "bij benadering" de zaken op orde zouden zijn, op dit ook maatschappelijk bezien gevoelige thema. Dat blijkt dus niet zo te zijn. Al mogen we verwachten dat die cijfers later nog kunnen verbeteren, het is op zijn zachtst gezegd hoogst merkwaardig, dat een invidueel burger in ons land betere actuele data heeft op het gebied van grondgebonden solar projecten, dan het statistiek instituut, wat het bronmateriaal zou moeten leveren voor een van de grootste veranderingen in ons land, de energietransitie.

Andere publicaties in deze mini-serie:

Wederom een CBS update met cijfers zonnestroom Nederland - 2018 & 2019 data gewijzigd, 2019 eerste segmentatie cijfers (19 juni 2020)

CBS update (2). Lokale segmentaties zonnestroom capaciteit bedrijven vs. woningen (19 juni 2020)

CBS update (3). Nieuwe contributie aan Klimaatakkoord - segmentatie zonnestroom productie per RES regio (19 juni 2020)

Bronnen:

Diverse PV projecten overzichten van Polder PV, met o.a. separate opgaves van (details over) grondgebonden zonneparken, vrijwel dagelijks van updates voorzien (overzichten zijn niet publiek, binnen niet al te lange tijd volgt een nieuwe synthese van de actuele status, met veel details van de status van "grote PV projecten in Nederland")

Hernieuwbaar op land naar RES-regio, 2018 en 2019 (CBS maatwerk tabel, 19 juni 2020)

 
 
 
© 2020 Peter J. Segaar / Polder PV, Leiden (NL)
^
TOP